NanoMare-expeditie: nanoplastic in de Noord-Atlantische Oceaan

Expeditie AW-109: Het lot van nanoplastics in de oceaan.
Welkom op de NanoMare-expeditie blog! Hier kun je het onderzoeksschip RV Anna Weber-van Bosse en de bemanning volgen op hun reis van IJsland naar de Azoren. Het voornaamste doel van deze expeditie is om het lot van nanoplastic in de oceaan te onderzoeken, en de effecten daarvan op micro-organismen in de Noord-Atlantische Oceaan – van de poolgebieden tot de subtropische breedtegraden.
7 September - The End
Geschreven door Helge Niemann
We zijn weer aan land. De loods van de haven van Angra op het Azoren-eiland Terceira heeft ons schip naar de kade geloodst, en ook de douaneambtenaren hebben de boot zojuist verlaten. Iedereen staat te popelen om Terceira te verkennen, de benen te strekken, eens wat andere gezichten te zien… Maar ik moet wel zeggen: het voelt een beetje vreemd om dit schip al zo snel te verlaten. De Anna Weber was de afgelopen vier weken ons thuis, terwijl we de Atlantische Oceaan overstaken vanuit de poolgebieden ten noorden van IJsland en vervolgens steeds zuidwaarts voeren… naar 32° noorderbreedte, bijna 1.000 km ten zuidwesten van de Azoren. We brachten ongeveer 150 uur door op onze meetlocatie, waar we een reeks instrumenten te water lieten: CTD’s, hogedruk-samplers, verschillende netten, boxcorers… en keken toe hoe de eerste gegevens binnenkwamen via de sensoren. En daarna talloze uren in de laboratoria, de ene reeks incubaties starten, de andere afronden – nachtdiensten om apparatuur aan te passen en te repareren. We raakten in het ritme van het schip, de dagelijkse routine van wisselende wachtdiensten, waarbij de maaltijden de dag als een metronoom structuur gaven.
Het voelt alsof het gisteren was dat we in Reykjavík aan boord gingen, maar we hebben al bijna 6.000 km achter de rug – een heel oceaanbekken. En dat zie je ook: degenen die voor het eerst op zee waren, liepen met ietwat wankele benen toen de eerste golven ons door elkaar schudden… toen, nog in IJslandse wateren. Nu heeft iedereen zee-benen. Onze uitrusting is grotendeels ingepakt en opgeborgen in dozen en containers. Collega’s omhelzen elkaar, en soms zie je zelfs een traantje glinsteren… In zekere zin is dat een goed teken – er is een hecht team ontstaan.
Het was een fantastische expeditie, met een fijne sfeer onder de wetenschappers en ook met de bemanning van Anna Weber. Kleinere en grotere technische problemen werden opgelost, en we hebben een schat aan monsters en gegevens kunnen verzamelen. Ik kan niet wachten om te zien wat we hebben gevonden. Hoeveel nanoplastic zit er in de Atlantische Oceaan? Welk effect heeft het op microben en algen? Maar de antwoorden op deze vragen moeten nog even wachten.
Het is fijn om nu even te ontspannen, uit de 24/7-werkmodus te stappen, en even niet het volgende meetstation te plannen of gegevens- en instrumentproblemen te bespreken. Ik breng een paar dagen door op de Azoren, waar ik ga wandelen en langzaam weer met beide benen op de grond kom.

Route van Anna Weber-van Bosse tijdens Expedition AWvB109
3 September - Aantekeningen van een insider
Geschreven door Paula Eisnecker
Ik ben een beetje een buitenbeentje aan boord. In tegenstelling tot de andere wetenschappers vlieg ik na afloop van deze expeditie niet terug naar Nederland. Ik woon op Terceira, een eiland in de Azoren, en dat komt goed uit: het is precies het eiland waar we met dit schip aankomen. Ook als het gaat om het hoofdonderwerp van deze expeditie, plasticvervuiling in zee, ben ik een buitenbeentje. Ik werk aan de Universiteit van de Azoren, waar ik onderzoek doe naar de gevolgen van klimaatverandering voor fytoplankton in de Noord-Atlantische Oceaan
De Azoren liggen op een bijzondere plek in de Noord-Atlantische Oceaan. In de zomer is de oceaan hier wat wij oligotroof noemen, oftewel "leeg" aan voedingsstoffen. Zonder voedingsstoffen kan fytoplankton niet groeien, en dan heeft ook de hele voedselketen die daarop gebouwd is niets te eten. Maar in de winter en het voorjaar roert de wind het water hard genoeg om voedingsstoffen vanuit dieper water naar boven te mengen, waardoor de gelaagde oceaan wakker wordt. Het fytoplankton begint te bloeien, en zelfs walvissen komen tijdens hun trek langs de eilanden voor een voedselstop. Een van de zorgen rond klimaatverandering is dat dit gebied met "leeg" oppervlaktewater in de subtropische Noord-Atlantische Oceaan zich zal uitbreiden, wat vervolgens ook gevolgen zou hebben voor het mariene ecosysteem van de Azoren.
Ik woon toch al omringd door diezelfde oceaan, dus waarom wekenlang varen om water te scheppen dat ik elke dag pal voor mijn deur kan halen?
Omdat ik voor het grotere plaatje niet alleen antwoorden kan zoeken in de wateren rond Terceira. Door langs een transect van IJsland naar de Azoren te varen, kan ik waarnemen hoe de biogeochemie van het oppervlaktewater verandert wanneer voedingsstoffen schaars worden, met inbegrip van de fytoplanktongemeenschappen en de koolstof in zee. Later kan ik die resultaten zelfs combineren met tientallen jaren aan satellietbeelden, om waarnemingen uit het verleden te vergelijken met die van nu. Hoe interessant dit voor mij ook is: wat kunnen we eigenlijk zeggen over de toekomst?
Om een glimp op te vangen van wat er zou kunnen gebeuren, voer ik verschillende experimenten uit waarin ik toekomstige oceaanomstandigheden met verhoogde CO2-concentraties nabootst. Die experimenten geven een indicatie van hoe de oceaan zou kunnen "smaken" voor de lokale microbiële gemeenschappen, en ik kan onderzoeken hoe en of ze daarmee om kunnen gaan. Nadat ik het zeewater in flessen van twee liter heb klaargemaakt en de CO2-concentraties heb aangepast, is het tijd om te wachten, de flessen te mengen, en nog veel langer te wachten. Uiteindelijk gebeurt er iets: het fytoplankton groeit. Te klein om er één organisme tegelijk van te zien, maar in grote aantallen zijn ze met het blote oog zichtbaar als een groenbruine drab in mijn flessen. In de oceaan zijn zulke algenbloeien zelfs vanuit de ruimte te zien!
Die kleurverandering is het teken om het experiment te stoppen. Vandaag valt dat moment toevallig om acht uur 's avonds. Jammer dan… Er ligt een lange nachtdienst voor me, waarin ik het water over speciale filters filtreer, die daarna bij –80 °C worden bewaard tot ik ze thuis in het lab kan analyseren.
Ergens rond twee uur 's nachts stap ik tussen twee filtratieruns door even het dek op. Het schip lijkt in diepe rust (nou ja, de officier op de brug niet), geen lichten behalve die van onszelf. Alleen de golven, die er in het donker behoorlijk dreigend uitzien, en de zilte zeewind in mijn gezicht. Dit is de oceaan die me eraan herinnert dat hij er nog steeds is, ook als de dag soms te druk lijkt om er echt naar te kijken. Nog een laatste zilte teug, dit moment in me opnemen dat zulke nachtdiensten goedmaakt en me weer doet beseffen hoe bijzonder dit werk is. Dan is het tijd om terug te gaan naar de filtratie. Er is iets troostrijks aan het leven op een onderzoeksschip: als je wekenlang in zo'n kleine ruimte samen werkt, eet en leeft, word je al snel meer dan alleen collega's van elkaar. Op dit moment slapen ze op een paar stappen van mijn lab. Op zee ben je nooit echt alleen, en uiteindelijk ook geen buitenbeentje.
2 September - Een nano-kijk op de enorme oceaan
Geschreven door Yu-Hsin Huang
Een zacht briesje tegen mijn wangen, terwijl het warme zonlicht mijn gezicht verwarmd, een tintelend gevoel alsof ik zachtjes gekieteld wordt. Ik zat op het dek en dacht over de dagen die achter ons lagen. Het voelde alsof alles in een flits voorbij was, en tegelijkertijd leek het ook alsof we al heel lang weg zijn. We zijn bijna op onze eindbestemming: Terceira, op de Azoren.
De expeditie ging voor mij echt van start op Station 1, in de straat van Denemarken ten oosten van Groenland. We verzamelden zeewater met High Pressure Incubators (HPI’s): een fles gemaakt van titanium zodat deze enorme druk kan weerstaan, en dus water van grote diepte kan verzamelen. De flessen behouden ook de druk van die diepte, wat ervoor zorgt dat ik experimenten kan uitvoeren met de nanoplastics uit het watermonster, onder dezelfde condities als waar ze vandaan kwamen.
Het doel van dit project is om inzicht te krijgen in wat er met nanoplastics gebeurt als ze worden afgebroken door microben, en of marine microben uit verschillende omgevingen, bijv. andere diepten en klimaten, in staat zijn om nanoplastics af te breken.
Ons werk begon meestal enkele dagen voor we daadwerkelijk monsters gingen nemen. We bereiden de HPI-flessen voor en zetten alles klaar op de CTD-rosette zodat die de volgende ochtend meteen over boord gezet kan worden. Die voorbereidingen duurden vaak wel tot middernacht, dus ik en mijn teamgenoten Zakiya en Isabella noemden onszelf al snel het “Nanococktail-team”. Om de sfeer erin the houden maakten we ons eigen liedje, draaiden we luide muziek, deden we Taiwanese ochtend-oefeningen en planden we alvast onze volgende filmavond. Hoewel dit al mijn derde onderzoeksexpeditie was, was het mijn eerste waarin ik als PhD-student een team moest leiden. Ik heb geleerd dat het zorgen een goede sfeer en teamgevoel bijna het belangrijkste is om efficiënt te blijven werken, zeker tijdens zulke lange dagen die veel van iedereen vragen. En natuurlijk had ik ook veel geluk dat ik zo’n geweldig team had, dit werk was zonder hen echt niet gelukt.
We hebben net het laatste punt waarop we monsters namen gehad, waarmee het totaal komt op 144 HPI-flessen en 72 glazen flessen. Tijdens de drukste periode hebben we twee dagen achter elkaar bijna non-stop gewerkt van 8 uur ’s ochtends tot 12u ’s nachts. Zo vaak wijzigde de plannen die we hadden gemaakt – wat vaak gebeurt op een onderzoeksexpeditie – dat flexibiliteit een andere belangrijke les voor mij geweest is. Ondanks alle veranderde schema’s lukte het ons om onze bemonsteringstijden aan te passen, geconcentreerd te blijven én plezier te houden.
We did it!
We zijn trots, maar ook een beetje verdrietig dat deze reis er bijna op zit. Hoewel er natuurlijk nog flink wat labwerk te doen is de komende dagen aan boord, voelt het toch alsof de expeditie zo goed als klaar is.
Naast de late avonden in het lab, lukte het ons ook wel om ons te vermaken in ‘het grote blauwe niets’. We zagen walvissen en ontelbaar veel vliegende vissen. Die laatsten deden mij aan mijn thuis denken, aan Taiwan.
Mijn eerdere twee expedities gingen over de Pacifische Oceaan, terwijl ik dit keer de kans kreeg om over de Noord-Atlantische Oceaan te varen. Dat is het mooie aan oceanografie: het laat je de wereld zien vanuit verschillende perspectieven. Plaatsen lijken enorm ver van elkaar verwijderd, maar als je goed kijkt, zie je hoe dicht ze met elkaar verbonden zijn. En je realiseert je hoe klein wij mensen zijn: eigenlijk ‘nano’ in verhouding tot die grote blauwe oceaan.
Toch klopt het allemaal. Elke waarneming, elk verschijnsel, elke vraag. En ik hoop dat we op een dag samen weer een stukje meer van deze blauwe schepping van God kunnen onthullen.
29 Augustus - Het lijkt wel zomer!
Geschreven door Lauri Stevens
Het is 29 augustus, we zijn nu al meer dan twee weken onderweg. We hebben de temperatuur geleidelijk zien stijgen, van het ijskoude water van de poolcirkel tot de huidige 21 graden nu we de subtropen naderen. De afgelopen twee dagen zijn ook de eerste dagen dat we echt zonlicht hebben gezien sinds we de haven van Reykjavík hebben verlaten. Het is echt een luxe om lekker in een T-shirt op het dek te kunnen werken en geen bevroren handen te krijgen bij het nemen van watermonsters. Het lijkt bijna zomer!
Dit is mijn eerste onderzoeksexpeditie: ik ben masterstudent in Utrecht en doe mee aan deze reis als onderdeel van mijn scriptie. Samen met Nemat willen we de concentratie van nanoplastics in de Noord-Atlantische Oceaan in kaart brengen. We hebben monsters genomen op verschillende waterdieptes, waarvan de diepste meer dan 4 kilometer(!) onder het oppervlak ligt. Samen met onze luchtfilters en sedimentmonsters geven deze metingen ons inzicht in hoe nanoplastics zich door de oceaan verplaatsen en hoe ze worden uitgewisseld tussen de lucht en de zee.
Vooral het nemen van de sedimentmonsters is een populair moment geworden onder de wetenschappelijke bemanning. De box corer wordt in het water gelaten en zakt langzaam helemaal naar beneden, waar hij een ‘hapje’ sediment van de zeebodem neemt en dat weer naar de oppervlakte brengt. Het is altijd spannend om te zien hoe de bemanning de corer weer aan dek haalt. Is het gelukt? Hoeveel sediment hebben we binnengehaald? Hoe ziet het eruit?
De bemanning kijkt geamuseerd telkens als we ons rond onze emmer modder verzamelen en opgewonden wijzen naar de kleine garnaaltjes, wormbuisjes of steentjes die we tegenkomen. Maar opgewonden zijn, dat is nou eenmaal wie we zijn! Het gebeurt niet elke dag dat je te zien krijgt hoe dit afgelegen deel van de wereld eruitziet. Met de klei op onze gezichten – die het midden houdt tussen een gezichtsmasker en oorlogsverf – nemen we onze monsters in lange cilinders, zodat we de verticale structuur van het sediment kunnen bekijken.

We verzamelen ons om onze sedimentmonsters te nemen (foto: NIOZ)
Als we weer aan land zijn, hebben we heel wat labwerk te doen om onze monsters te analyseren. Maar voorlopig hebben we veel om naar uit te kijken: nog mooier weer zodra we dichter bij de prachtige Azoren komen, en nog drie locaties om monsters te nemen. Elk daarvan is een puzzelstukje dat ons dichter bij het begrijpen van de verspreiding van nanoplastics in de oceaan brengt.

Nemat is onderweg om wat oppervlaktewatermonsters te nemen (foto: NIOZ)
28 Augustus - meer bemonsteren
Geschreven door Georgina Panagiotounakou
Ik schrijf dit halverwege onze expeditie met het onderzoeksschip Anna Weber van Bosse, van IJsland naar de Azoren. Er is nog geen moment geweest waarop ik me niet ontzettend gelukkig voelde om hier deel van uit te maken, zelfs niet toen de god Poseidon boos was en de boot zo liet schommelen alsof we in een grote pan werden geroerd. Het is alleen een beetje jammer dat ik niet altijd kan genieten van het lekkere eten van Mihai (onze kok)… Maar wat deze cruise tot een onvergetelijke ervaring maakt, zijn vooral de mensen. Het doet me zo veel plezier dat we zo’n goed team zijn, zowel onder de bemanningsleden als onder de collega-wetenschappers.
Ik heb twee bemonsteringsmethoden die ik tijdens deze expeditie moet uitvoeren: een Manta-trawl om deeltjes uit het oppervlaktewater op te vangen en een Multinet voor diepere wateren, tot wel 300 meter diep. Hoewel ik vooral de massaverdeling van microplasticdeeltjes onderzoek, vangen mijn netten ook veel planktonsoorten – de Manta en het Multinet worden immers van oudsher sowieso voor plankton gebruikt. Voor mijn werk is het belangrijk om de verhouding tussen plastic en organismen te onderzoeken, wat simpel gezegd beschrijft hoeveel leven er is in vergelijking met microplastics en hoe schadelijk deze deeltjes voor plankton kunnen zijn. En geloof me, er is heel veel leven dat bedreigd wordt!!! Voor exacte resultaten moet ik echter wachten tot ik weer aan wal ben om mijn monsters te verwerken. Tot die tijd kan ik alleen maar genieten van het verzamelen van monsters, wat, eerlijk gezegd, waarschijnlijk het leukste deel van mijn reis is! Na deze expeditie kan ik eindelijk verhalen delen over de gevaren waarmee onze oceanen waarschijnlijk te maken hebben door de door de mens veroorzaakte plasticvervuiling, die ik nu met eigen ogen heb gezien.

Manta-net in actie, met links een stukje plastic in de kuil van het net (foto: NIOZ)

Het uitwerpen van het mantanet vergde de hulp van drie matrozen, Peter, Jacco en Elien, vanwege de harde wind (foto: NIOZ)
Maar laten we bij het begin beginnen! Op 14 augustus beginnen we aan onze reis. De vrije dagen tot aan onze eerste bestemming breng ik door op de brug, waar ik Henk (kapitein) en Trevor (officier) een heleboel vragen stel, in een poging te leren wat al die schermen (of in ieder geval de meeste) op de brug laten zien. Ik heb ook een paar coole (en belangrijke!) dingen geleerd, zoals hoe je een ijsberg op het radarscherm kunt herkennen.

De brug van de Anna Weber-van Bosse (foto: NIOZ)
Even vooruitspoelen: Mijn eerste bemonsteringsdag is aangebroken, 17 augustus, en ik ben best gespannen: Is alles klaar? Zitten de netuiteinden voor het verzamelen van de monsters goed vast aan de netten? Hoe zullen mijn monsters eruitzien?

De opvangbeker van het mantanet (foto: NIOZ)

De opvangbuizen van het multinet (foto: NIOZ)
Al die vragen blijven maar door mijn hoofd spoken. De eerste Manta-trawl was een succes; wat een opluchting. Helaas leek de Multinet andere plannen te hebben. Drie uur lang naar het scherm van de software staren, om er vervolgens achter te komen dat er geen monsters waren genomen omdat we vergeten waren de netten te ontgrendelen. Gelukkig hadden we tijd om het allemaal nog een keer over te doen. Zoals mijn begeleider Peter tijdens een videogesprek zei, terwijl hij om dezelfde reden als ik helemaal op de Stille Oceaan aan het zeilen was: „De eerste bemonstering is net als de eerste pannenkoek die je bakt, altijd een beetje miehhh“… Daarna is alles soepel verlopen!
Manta-bemonstering is superleuk, want het in de gaten houden van het net (controleren of het goed stroomt) gaat gepaard met naar de zee staren, een beetje vitamine D opdoen en fijne muziek uit de prachtige, zelfgemaakte luidspreker die René (elektrotechnicus) en Jacco (een van de matrozen) hebben gemaakt. Op basis van Renés idee en ontwerp hebben ze letterlijk oude stukken hout aan elkaar gelijmd om de behuizing te maken en daarna een grillrooster uit de keuken, een stukje metalen lier en een paar goede elektrische onderdelen toegevoegd, die René aan elkaar heeft gezet. We kunnen muziek afspelen die we vanaf onze telefoons streamen, en vaak gaat het luisteren naar muziek gepaard met zingen of zelfs dansen!

Annalisa geniet van de zon tussen het uitzetten van de mantanetten door (foto: NIOZ)

De handgemaakte luidspreker van Jacco en René (foto: NIOZ)
Soms praten we gewoon wat met elkaar terwijl we wachten tot het mantanet weer binnen is. Multinetten zijn daarentegen minder leuk, omdat ik tijdens het uitzetten de hele tijd naar een scherm zit te staren. Maar dankzij het fijne gezelschap in het lab en het kijken naar de diepte van het chlorofylmaximum op het scherm, is de multinetprocedure toch “tijd die goed besteed is”. Eén keer zag ik zelfs ‘kleine beestjes met hun helmen op’ stiekem gluren om naar grienden te kijken. Ik schrijf dit trouwens terwijl er net een multinet wordt uitgezet; mijn ogen gaan van scherm naar scherm en tussendoor zeg ik dingen als ‘de lier kan met een snelheid van 30 meter per minuut naar beneden’, of ‘je kunt de lier nu stoppen’; klinkt dat niet prachtig?

Camerabeeld van de lier van het multinet tijdens het uitzetten (foto: NIOZ)

Ik spring van blijdschap omdat er bij het best mogelijke weer weer een multinet kon worden uitgezet (foto: NIOZ)
Zodra het net op het dek ligt, begint het leuke gedeelte: Annalisa (promovendus) en ik, soms samen met Samuele (masterstudent), draaien de eindstukken van het net in alle mogelijke richtingen om alles uit het net in de bemonsteringszakken te laten stromen. Teamwork maakt de droom waar!

De vangst van het multinet op 40 meter diepte, in een Whirl-Pak-zak (foto: NIOZ)
Dag in dag uit nemen we monsters, werken we onze gegevenslogboeken bij en op de reisdagen maken we apparatuur klaar of repareren we die met hulp van Dave (onze algemene ondersteuner) en René. Samuele heeft een speciaal plekje in mijn hart: hij bewaart een chocoladecroissant voor me op die reisdagen waarop ik mijn wekker voor het ontbijt niet hoor! En omdat er dan nog wat tijd over is, doe ik ook nog wat observaties van de mariene fauna en schrijf ik alles op wat ik interessant vind. Verder doe ik een oceaanonderzoek met de Ocean Cleanup-app. Leuk weetje: je kunt deze onderzoeken overal ter wereld doen, of je nu op een rivier of in de oceaan bent, en het zijn heel waardevolle gegevens voor hen. De hele bemanning en mijn collega-wetenschappers laten me ook weten als ze iets zien, zoals een stukje plastic of een zeedier. En ze hebben allebei al gezien! Als we niets zien, proberen we vanaf de boeg van het schip ‘zeedieren op te roepen’, maar dat lijkt niet te werken ;)

Samuele roept vanaf de boeg van het schip naar de zeezoogdieren (foto: NIOZ)
Onze dagen gaan dus gewoon door, volgens zo’n beetje dezelfde routine. Maar onze avonden zijn net even anders. De fitnessruimte op de R/V Anna Weber heeft onze aandacht getrokken. Mijn favoriete training is boksen, en als de schema’s het toelaten, ga ik samen met Annalisa en Samuele en onze coaches Dali (matroos) en Jacco. Anders trainen we onszelf ;) Als je me daar niet tegenkomt, ben ik waarschijnlijk een leuke film aan het kijken, aan het kletsen met de collega-wetenschappers in de lounge, of aan het snacken in de mess. Omdat we vanuit IJsland naar het zuiden zijn gevaren en nu op 41° noorderbreedte zitten – bijna op dezelfde breedtegraad als de Azoren – is de nachtelijke hemel eindelijk donkerder. Dus ik hoop vanaf nu naar de sterren te kunnen kijken, en hopelijk de Melkweg te zien zonder lichtvervuiling!
Vier jaar geleden wilde ik een bachelorproject vinden over plasticvervuiling (dat is niet gelukt), en drie jaar geleden droomde ik ervan om mee te gaan op een onderzoeksexpeditie in de Egeïsche Zee (dat is ook niet gelukt); maar kijk nu eens naar mij, midden op de Noord-Atlantische Oceaan, waar ik aan mijn masterproject over plasticvervuiling werk!! Al met al ben ik dankbaar voor mijn eerdere keuzes en alle ervaringen die me uiteindelijk hier hebben gebracht, en ik kijk vol verwachting uit naar de toekomst. Hoeveel microplastic zit er in de oceaan vergeleken met nanoplastic? Wat zijn de meest voorkomende groottes en materialen van plastic in verschillende regio’s en op verschillende dieptes? Verschilt de massaverdeling van microplastic tussen de subpolaire en subtropische gyre die we nu doorkruisen? Hoe varieert de verspreiding van plastic tussen het oppervlak en diepere waterlagen? Dit zijn allemaal vragen die ik met dit project hoop te helpen beantwoorden. Helge (NanoMare) en Peter (Ocean Cleanup), ik hoop dat ik jullie niet teleurstel! Tot de volgende keer, xxx Georgina.
23 Augustus - Am I dreaming, or am I awake?
Geschreven door Samuele Stante
De stem van David Attenborough vult de messroom van de Anna Weber-van Bosse, terwijl de golven op deze stormachtige dag ritmisch tegen de romp slaan. Na een week vol strak geplande schema’s en hectisch werk heb ik eindelijk wat tijd gevonden om na de lunch op de bank te zitten, naast Paula en Laura. Het voelt als een regenachtige zondagmiddag thuis: de wind beukt tegen de ramen achter me, de thee binnen handbereik, het televisiescherm aan en mijn benen onder een dikke laag kussens. Alleen bevind ik me midden op de Atlantische Oceaan, en het is niet eens zondag. Vandaag is een transit-dag. Wanneer je onderzoek doet op zee, zijn de dagen van de week van geen enkel belang; wat telt, is of we een stop zullen maken om metingen te verrichten of niet. En vandaag hoeft er niets bemonsterd, gekalibreerd of gemeten te worden. We kunnen alleen maar wachten tot we de volgende stop bereiken: een blauw punt midden op zee, honderden kilometers verwijderd van de zuidkust van IJsland.
Eerlijk gezegd betekent een vrije dag niet echt dat we vrij kunnen nemen. Dat is tenminste wat Helge, de hoofdwetenschapper aan boord, ons tijdens de eerste dagen op zee in herinnering bracht. Sommigen van ons moeten zich nog voorbereiden op de volgende dag: flessen etiketteren of buisjes en andere apparatuur steriliseren die we tijdens het vorige bemonsteringsstation hebben gebruikt. Betekent dat dat ik ook weer achter mijn computer in het laboratorium beneden moet gaan zitten en moet proberen de gegevens over de luchtsamenstelling die we verzamelen te doorgronden? Maar als ik te lang naar het scherm staar, word ik overmand door zeeziekte en begint mijn maag in opstand te komen. Misschien moet ik nog een pil tegen de misselijkheid nemen. Maar daarvan krijg ik een droge, pijnlijke keel, worden mijn zintuigen minder scherp en word ik slaperig. En hoe zit het dan met de slaperigheid die ik nu voel terwijl ik op de bank naar de documentaire Ocean kijk? Komt die doordat Laura en Paula naast me ook langzaam hun ogen beginnen te sluiten? Misschien slaap ik maar twintig minuten en word ik wakker van de volgende grote golf, die de kamer laat kraken en ergens verderop op de lagere dekken een deur die open is blijven staan met een klap laat dichtslaan. Of blijf ik deze documentaire kijken... Hij is over minder dan een half uur afgelopen en misschien word ik weer wat wakkerder naarmate het verhaal vordert en de gruwelijke beelden van boomkorvisserij worden getoond. Ik heb deze film vorig jaar al in de bioscoop gezien, toen hij uitkwam.
Maar kijk eens: ze hebben het nu over plankton, de minuscule, bijzondere en diverse diertjes (zoöplankton) en algen (fytoplankton) die overal in de oceaan voorkomen en zo belangrijk zijn voor het evenwicht van onze ecosystemen. Attenborough legt uit dat fytoplankton minuscule, algachtige organismen zijn die energie uit zonlicht halen – net als planten op het land – en dat ongeveer de helft van de zuurstof die we inademen van hen afkomstig is. Terwijl ik langzaam wegzak in een mistige traagheid, vervagen de grenzen tussen zoö- en fytoplankton en realiseer ik me dat ik gisteren nog met eigen ogen zoöplankton heb gezien, gevangen in de manta-netten die mijn collega Georgina uit zee heeft gehaald. Zij telt microplasticdeeltjes die aan het oceaanoppervlak drijven, maar vaak raakt er ook een handvol plankton in haar netten verstrikt. Dat geeft ons altijd een bitter gevoel van wroeging. We houden dat gevoel voor onszelf terwijl we de monsters zorgvuldig ordenen en voorbereiden op de laboratoriumanalyse, maar daarna herinneren we elkaar er om de beurt aan dat het soms onvermijdelijk is om een deel van deze prachtige organismen op te offeren met als doel er nog veel meer te redden.
Sterker nog, er is nog iets anders wat ik tijdens mijn verblijf op deze boot heb ontdekt, iets wat David Attenborough niet heeft genoemd: plankton kan, net als ieder ander organisme in de oceaan, al vol zitten met nanoplastics, deeltjes die duizenden malen kleiner zijn dan de deeltjes die Georgina met haar netten probeert te vangen. De gedachte dat deze organismen elke dag enorme hoeveelheden nanoplastics zouden kunnen binnenkrijgen, bezorgt me rillingen. En toch zijn we hier: een bont gezelschap van studenten en wetenschappers dat probeert te achterhalen wat de effecten van nanoplastics op het oceaanleven zijn. Het klinkt alsof het veel tijd en inspanning zal kosten om daar daadwerkelijk antwoorden op te vinden.
Dus laat me voor nu maar even een kort dutje doen op deze bank en een beetje dromen over plankton, over water en over mogelijke oceanen...

Een deel van het zoöplankton dat Georgina met haar mantanet op 300 m diepte onder het oceaanoppervlak heeft verzameld (foto: Samuele Stante)
20 Augustus - Ijsland
Geschreven door Nemat Omidikia
Ondanks de overvloed aan informatie over de wereldwijde plasticproductie is er veel minder bekend over wat er met plastic gebeurt zodra het in het milieu terechtkomt. Naar schatting komt er jaarlijks tussen de 8 en 14 miljoen ton plastic in de oceanen terecht. Plastic afval dat in zee terechtkomt, kan fysisch en chemisch uiteenvallen, waardoor uiteindelijk micro- en nanoplastics ontstaan. Dit roept een aantal belangrijke vragen op: Wat zijn de concentraties van nanoplastics (NP’s) in de oceaan? Hoe variëren deze concentraties tussen verschillende waterdieptes? Is er een uitwisseling van nanoplastics tussen de oceaan en de atmosfeer?
Maandenlang hebben we ons op deze expeditie voorbereid en nieuwe strategieën ontwikkeld voor het verzamelen van monsters en gegevens en voor de analyse daarvan. Tijdens onze reis van IJsland naar de Azoren zullen we de uitstoot en concentraties van vluchtige organische stoffen (VOS) in de oceaan continu monitoren met behulp van onze luchtmonsternemer en een gespecialiseerde massaspectrometer. We zullen onderweg ook bij verschillende stations stoppen om monsters te verzamelen die ons later zullen helpen het beeld van de plasticvervuiling in het mariene milieu in kaart te brengen.
Als analytisch chemicus richt mijn onderzoek zich op de kwantificering van verschillende soorten nanoplastics in monsters die zijn verzameld uit diverse delen van het mariene milieu – van verschillende lagen van de oceaan en diepzeesedimenten tot gefilterde lucht. Door informatie over nanoplastics uit deze verschillende milieucompartimenten te combineren, krijgen we een beter inzicht in hoe plasticvervuiling zich door het milieu verplaatst, hoe deze wordt verspreid en of er uitwisseling plaatsvindt tussen de oceaan en de atmosfeer.
Op dit moment vaart de Anna Weber-van Bosse door de koude, donkere golven. Gekleed in onze werkkleding staan we klaar, wachtend op het volgende bemonsteringspunt. Binnenkort zal er weer een reeks monsters worden verzameld. Elk monster bevat een klein stukje informatie dat ons kan helpen het veel grotere verhaal van de plasticvervuiling in onze oceanen te begrijpen.
Een halo ontstaat wanneer zonlicht in contact komt met ijskristallen aan de horizon (foto: Nemat Omidikia).
16 Augustus - De Straat van Denemarken, ten noorden van IJsland
Geschreven door Helge Niemann, hoofdonderzoeker tijdens de expeditie AW-109
Ik ben de hittegolven in Nederland ontvlucht, blijkbaar het nieuwe normaal, ook al willen sommige mensen dat niet graag toegeven. Maar dat is een ander verhaal… We zijn de Noord-Atlantische Oceaan op gegaan om een andere reden: plastic.
We hebben er allemaal wel eens van gehoord: plastic afval dat in onze oceanen drijft en de negatieve gevolgen daarvan voor het zeeleven. Een nooit aflatende lawine van afval stroomt vanuit onze beschaving de zee in. Grotere plastic voorwerpen drijven aan het zeeoppervlak, drijven mee met de stromingen en worden door het brandende UV-licht van de zon en de beukende kracht van de golven in steeds kleinere fragmenten opgebroken. Op deze manier worden grotere stukken kleiner; macroplastic wordt microplastic, totdat…
…nou ja, totdat wat?
We hebben al ontdekt dat ten minste een deel van deze grotere macro- en microplastics wordt afgebroken tot deeltjes die kleiner zijn dan een duizendste van een millimeter. Dat is heel klein. Stel je een dun menselijke haar voor: dat is minstens 50 keer dikker dan een duizendste van een millimeter. Deze minuscule plasticdeeltjes – kleiner dan een duizendste van een millimeter – worden nanoplastics genoemd en zijn onzichtbaar voor het blote oog.
Nanoplastics gedragen zich ook nogal vreemd. Grotere plastic voorwerpen drijven of zinken meestal. Plastic zakken zijn bijvoorbeeld vaak gemaakt van polyethyleen (PE) en drijven, terwijl frisdrankflessen zijn gemaakt van polyethyleentereftalaat (PET) en – als ze niet met een deksel zijn afgesloten – zinken. Maar nanoplastics drijven noch zinken, ongeacht of ze uit PE, PET of een andere soort plastic bestaan. Nanoplastics gedragen zich als melk in koffie: de minuscule vetdruppeltjes van de melk blijven gelijkmatig verspreid en stijgen niet onmiddellijk naar het oppervlak als room, noch zinken ze naar de bodem van het kopje.
Voor de oceaan betekent dit dat nanoplastics zich door de gehele waterkolom kunnen verspreiden, van het zeeoppervlak tot de diepzee. Bijna al het zeeleven kan daarom in contact komen met nanoplastics. We hebben vastgesteld dat nanoplastics het leeuwendeel uitmaken van de plasticvervuiling in de Noord-Atlantische Oceaan (ref. ten Hietbrink et al., Nature 2025). We weten echter nog niet precies hoeveel nanoplastics er wereldwijd in het water zitten, noch welke invloed dit heeft op het zeeleven.
Zijn nanoplastics geconcentreerd nabij het oceaanoppervlak, waar ze ontstaan uit macro- en microplastics? Verschillen de concentraties nanoplastics wanneer we bijvoorbeeld arctische, gematigde en subtropische gebieden met elkaar vergelijken? Hoeveel is er al in de diepzee terechtgekomen? Wat gebeurt er met microben – de basis van de mariene voedselketen – wanneer ze worden blootgesteld aan nanoplastics? Wat is het lot van nanoplastics in de oceaan: worden ze uiteindelijk volledig afgebroken?
Dit zijn enkele van de vele vragen die we proberen te beantwoorden met de gegevens die tijdens deze expeditie worden verzameld. Dankzij financiering van de EU heb ik het NanoMare-project kunnen opzetten en een uitstekend team van wetenschappers bijeen kunnen brengen – en we hebben het geluk deze expeditie te mogen uitvoeren aan boord van het glanzende nieuwe vlaggenschip van de Nederlandse onderzoeksvloot, de RV Anna Weber-van Bosse.
De komende weken zullen we volledig in het teken staan van de wetenschap: monsters verzamelen, metingen verrichten, onze bevindingen bespreken en experimenten opzetten. En we zullen een breed geografisch gebied bestrijken, van de ijskoude Arctische wateren tot de zwoele subtropische wateren rond de Azoren – tijdens expeditie AW-109.

Helge Niemann, klaar voor de start van de expeditie (Foto: Anneke Hymmen)
13 Augustus - Aankomst in IJsland
Geschreven door Pauline Cretin
Dit is D-day. Alle wetenschappers nemen het vliegtuig naar Reykjavik, waar het schip, de Anna Weber-van Bosse, op ons ligt te wachten. Vijftien wetenschappers worden samengebracht door een gemeenschappelijke zorg: wat is de impact van nanoplastics op de oceaan?
Tijdens deze expeditie zullen we op verschillende locaties monsters verzamelen, van Groenland tot de Azoren. Maar voor nu is vanavond onze laatste avond aan land voordat we voor drie weken de zee op gaan. We maken allemaal van de gelegenheid gebruik om door de prachtige straten van Reykjavik te wandelen.
Nog één laatste afscheid van IJsland – het is tijd om het anker te lichten. Onze bestemming: Groenland!
Voor de meesten van ons is dit de eerste keer dat we meevaren met een onderzoeksexpeditie, en daarmee ook een kans om uit eerste hand kennis te maken met zeeziekte! Bovendien moeten we al onze apparatuur klaarmaken voor morgen, onze eerste dag waarop we monsters zullen verzamelen.
We zijn aangekomen bij ons eerste station! We bevinden ons vlak bij Groenland en buiten is het ongeveer 8 °C. Tijd om onze zomerkleding in te ruilen voor truien.
Als marien microbioloog is het mijn taak tijdens deze expeditie om op verschillende stations en dieptes monsters te verzamelen. Het water wordt vervolgens gefilterd, zodat alleen de micro-organismen overblijven. Dit deel van het onderzoek vormt een aanvulling op het werk van mijn collega’s, die op dezelfde dieptes de mate van nanoplasticverontreiniging onderzoeken.
Tegelijkertijd verzamelen we, samen met mijn stagiair, oppervlaktewater en kweken we de micro-organismen die het bevat gedurende enkele dagen in aanwezigheid van nanoplastics.
Ik had elke diepte kunnen kiezen, maar op basis van een eerdere expeditie in de Noord-Atlantische Oceaan weten we dat het oppervlaktewater vaker met nanoplastics is verontreinigd. Bovendien is het oceaanoppervlak rijk aan fotosynthetische micro-organismen – organismen die in staat zijn voedingsstoffen en zuurstof te produceren met behulp van zonne-energie en koolstofdioxide. Fotosynthetische activiteit aan het oceaanoppervlak is bijzonder belangrijk, aangezien ongeveer 70% van onze planeet uit water bestaat. De zuurstof die door mariene micro-organismen wordt geproduceerd, is goed voor ongeveer 60% van de zuurstof die we inademen. Daarmee levert de oceaan een belangrijke bijdrage aan de zuurstof in onze atmosfeer.
Het doel van deze kweken is om te bepalen of nanoplastics invloed hebben op de vorming van microbiële gemeenschappen tussen Groenland en de Azoren. Daarnaast kunnen we inzicht krijgen in de stofwisselingsprocessen die deze micro-organismen uitvoeren, om te bepalen of nanoplastics een toxisch effect hebben of dat ze voor sommige micro-organismen juist als een nieuwe voedingsbron dienen.

Technicus Natalia Zwolak (links) en dr. Pauline Cretin (postdoc; rechts) (Foto: NIOZ)
