Ω is niet het einde: factoren die de oplossing van calciumcarbonaat beïnvloeden

Binnenhalen van meetapparatuur door Ben Cala (Foto: Brandy Robinson)
De oceaan neemt bijna een derde van de kooldioxide op die de mens in de atmosfeer uitstoot, waardoor de klimaatverandering wordt afgeremd. Hoeveel de oceaan kan opnemen, hangt af van de chemische samenstelling van het zeewater, met name van een eigenschap die ‘alkaliteit’ wordt genoemd.
Veel mariene organismen, zoals coccolithoforen, foraminiferen of pteropoden, bouwen schelpen van calciumcarbonaat, wat de alkaliteit verlaagt. Wanneer ze sterven, beginnen de schelpen te zinken en lossen ze uiteindelijk op, waardoor de alkaliteit weer in het water terechtkomt.
Het is van belang op welke plaats in de waterkolom het calciumcarbonaat oplost, omdat dit bepaalt hoe lang het duurt voordat de alkaliteit weer aan het zeeoppervlak terugkeert en het CO₂-opslagvermogen van de oceanen wordt hersteld.
Over het algemeen kan een mineraal oplossen wanneer het water eromheen ten opzichte van dat mineraal onderverzadigd is. Er zijn echter aanwijzingen dat calciumcarbonaat al op geringere diepte oplost, op dieptes waar het zeewater als geheel nog oververzadigd is.
Tijdens dit promotieonderzoek heeft Ben Cala naast de verzadigingsgraad van het zeewater nog andere factoren onderzocht die van invloed zijn op de oplossing van calciumcarbonaat. Deze resultaten kunnen helpen om deze processen nauwkeuriger in modellen weer te geven, waardoor de voorspellingen over het toekomstige klimaat op aarde worden verbeterd.

