Mosselen kweken op een biologisch afbreekbare sok

Zonsopgang boven de oesterbanken in de Oosterschelde (foto: Lisanne van den Boogaart)
Een biologisch afbreekbare sok, met daarin een kern van kokostouw en lege schelpen van kokkels; dat lijkt een goed recept om mossellarven te vangen en uit te laten groeien tot kleine mosseltjes. Uit het proefschrift van Lisanne van den Bogaart, als marien bioloog werkzaam aan het NIOZ in Yerseke, blijkt dat die ‘gevulde sokken’ minstens net zo veel jonge mosseltjes vangen als de inmiddels traditionele Mossel Zaadvang Installaties’s, of MZI’s, van de kwekers. “Als je die sokken met mosselzaad vervolgens op de bodem legt, overleven de diertjes vaak zelfs veel beter dan wanneer je ze los ‘uitzaait’ op de bodem van bijvoorbeeld de Oosterschelde”, zegt Van den Bogaart. Op 26 april verdedigt zij haar proefschrift aan de Universiteit Utrecht.

Sunrise over oysterbeds at Eastern Scheldt. Photo: Lisanne van den Boogaart
Grote verliezen
Bij de traditionele manier van mosselen uitzaaien, treden verliezen op van soms wel 70 of 80 procent. “Vooral krabben en zeesterren vergrijpen zich aan de kleine mosseltjes”, weet Van den Bogaart. “Daarom heb ik in mijn onderzoek gezocht naar manieren om die kleine schelpjes beter te laten overleven.”
De sok-met-touw-en-schelpen bleek daarbij zeker geen panacee, zag de onderzoekster. “De overleving van het mosselzaad op de buitenkant van de sok was waarschijnlijk hoger, omdat de schelpdieren profiteerden van de ‘kracht van de grote aantallen’ Ook waren de mosseltjes op de sok al groter dan op de traditionele installaties, waardoor ze minder makkelijk ten prooi vielen aan krabben en zeesterren. Een derde voordeel was dat de mosseltjes op de sok minder makkelijk wegspoelen dan losse schelpen die vanaf de traditionele installaties worden ‘uitgezaaid’.”
Bij proeven op de Waddenzee, zagen Van den Bogaart en collega’s dat er ook bij gebruik van de sok soms grote verliezen waren. “We denken dat dat kwam doordat de kleine schelpjes bij zwaar weer werden gecrushed door de lege kokkelschelpen, die we juist als bescherming en hechtmateriaal erin hadden gedaan.”
Mosselkwekers
Het onderzoek met de ‘mosselsokken’ van Van den Bogaart is onder andere gefinancierd vanuit een aquacultuurproject van NWO. “We wilden kijken of we betere manieren konden vinden om mossellarfjes in te vangen en uit te laten groeien tot consumptiemosselen. Dat is dus deels gelukt”, stelt de onderzoekster. “We hebben een systeem ontworpen waarmee we zowel larven kunnen vangen, als de mosselen kunnen laten uitgroeien.”
Toch zullen de mosselkwekers nog niet met dit systeem aan de slag gaan. De voordelen zijn nog niet groot genoeg om hun hele bedrijfsvoering op basis van de traditionele MZI’s overboord te zetten. Bovendien lopen de schelpdieren op een volle sok ook snel tegen de grenzen aan, zag de promovenda. “Dan zouden ze pas verder kunnen groeien wanneer je de sok openknipt en je de mossel meer ruimte geeft, maar dat is dus weer vrij arbeidsintensief.”
Ook voor natuurherstel
Van den Bogaart benadrukt dat dit onderzoek een waardevolle tussenstap is en zeker geen eindstation. “We hebben veel geleerd over de eisen die mosselen stellen aan hun omgeving en over de voor- en nadelen van verschillende substraten. Bovendien is deze kennis niet alleen toepasbaar in de kweek, maar ook bij het herstel van natuurlijke mosselriffen. Die riffen zijn belangrijk als habitat voor veel verschillende planten en dieren, ze houden sediment vast onder de stijgende zeespiegel en ze breken de kracht van de stroming en de golven, waardoor ze erosie voorkomen. Maar door wind, golven en stroming is het voor jonge mosseltjes vaak lastig om nieuwe riffen te vormen. Om op grote schaal verdwenen schelpenbanken in de natuur te herstellen, zijn dus dit soort kunstgrepen nodig.”

