Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2007 - September


 
Overzicht 2010
Overzicht 2009
Overzicht 2008
Overzicht 2007
  December
  November
  Oktober
  September
  Juni
  Mei
  April
  Maart
  Februari
  Januari
Overzicht 2006
Overzicht 2005
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

 Juni – 2007 – Oktober     Archief     NIOZ in de pers

 

 

September 2007

 

26 september

Dr. Jaap van der Meer bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit…

 

 

NIOZ-onderzoeker Dr. Jaap van der Meer is benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam met als leerstoel “Populatie-ecologie van het mariene milieu”.

 

Van der Meer is als marien ecoloog vooral geïnteresseerd in hoe de omvang van populaties van verschillende soorten dieren gereguleerd worden. Het blijkt dat als dierpopulaties in omvang toenemen, het geboortecijfer omlaag gaat en het sterftecijfer omhoog, totdat er een populatiegrootte bereikt wordt waarbij geboorte en sterfte elkaar in evenwicht houden. Maar welk mechanisme bepaalt nu precies dat verband tussen populatieomvang en het geboorte- en sterftecijfer? Van der Meer wil hier achterkomen door de wisselwerking te onderzoeken tussen onder meer de energiehuishouding van individuele dieren in relatie tot hun leefomgeving.

Bij de energiehuishouding draait het vooral om de snelheid waarmee voedsel opgenomen kan worden, of dat genoeg is om in de noodzakelijke onderhoudskosten te voorzien en hoeveel nakomelingen er van de resterende energie nog geproduceerd kunnen worden. Wat betreft de omgeving zijn het aantal soortgenoten, de hoeveelheid voedsel en het aantal roofdieren van groot belang. Het gebruik van wiskundige modellen speelt in dit onderzoek een grote rol. Het onderzoek van Van der Meer en zijn medewerkers richt zich op vooral op tweekleppige schelpdieren in de Waddenzee, zoals de kokkel, het nonnetje, de mossel en de Japanse oester. Deze dieren eten vooral ééncellige algen en worden belaagd door roofdieren als krabben en garnalen. Het onderzoek moet leiden tot meer begrip hoe de draagkracht van de Waddenzee wordt beïnvloed door bijvoorbeeld dalende toevoer van voedingsstoffen (vooral fosfaat) of klimaatverandering.

Jaap van der Meer studeerde biologie aan de Vrije Universiteit met als specialisaties dierecologie, wiskunde en statistiek. Hij is gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen met een proefschrift over de wisselwerking tussen wadvogels en hun prooidieren.

 

Meer informatie:

 

 

21 september

Verschillen in groei en overleving van tweekleppige schelpdieren in de Waddenzee…

 

In de ondiepe Waddenzee treden grote verschillen in omgevingsfactoren op, zoals watertemperatuur, stroming, zoutgehalte en voedselaanbod. Deze factoren beïnvloeden de groei, overleving en voortplanting van schelpdieren sterk. Wel treden er aanzienlijke verschillen op tussen soorten. De huidige zomertemperaturen blijken voor het nonnetje al te hoog.

 

Joana Cardoso onderzocht het effect van omgevingsfactoren op de groei en voortplanting van vijf algemene schelpdiersoorten: het nonnetje, de kokkel, de mossel en de strandgaper, maar ook de Japanse of Pacific oester, een exotische soort die recentelijk in de Waddenzee verschenen is en momenteel sterk in aantal toeneemt. Cardoso verrichtte haar promotieonderzoek bij het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek op Texel.

 

Met het ‘Dynamic Energy Budget’ model maakte zij reconstructies van de voedselomstandigheden voor de verschillende soorten in diverse leefgebieden. Alle soorten vertoonden een seizoensgerelateerde groei en een toenemende lichaamsconditie in de lente. Wel waren er verschillen in periode tussen de soorten en tussen de diverse leefgebieden, net als in de periode van paaien en de investering in voortplanting. De resultaten van Cardoso wijzen op een sterke competitie om voedsel (algen) tussen de verschillende soorten. Ook klimaatverandering kan al ingrijpende effecten kan hebben, want de voor het nonnetje lijkende huidige zomertemperaturen al te hoog te worden.

 

Joana Cardoso (Portugal, 1975) studeerde biologie aan de universiteit van Porto. Haar promotieonderzoek deed zij bij het NIOZ, dat samen met een Portugese wetenschappelijke stichting het onderzoek ook financierde. Zij promoveert op vrijdag 21 september om 14:45 uur aan de Rijksuniversiteit Groningen. Promotors zijn Prof. Dr. W.J. Wolff (RUG) en Prof. Dr. P. Santos (universiteit van Porto). Co-promotor is Dr. H.W. van der Veer (NIOZ).

 

Bibliografie:

Cardoso, J.F.M.F. Growth and reproduction in bivalves, an energetic approach. PhD thesis Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Wiskunde & Natuurwetenschappen.

 

Meer informatie:

 

 

11 september

Texelse paleothermometer voor klimaatreconstructie geperfectioneerd…

 

Het bepalen van de oppervlakte zeewatertemperaturen (OZT) in oceanen en kustwateren is van groot belang voor de reconstructie van natuurlijke klimaatveranderingen en veranderingen in oceaanstromingen in het verleden. Deze informatie is op haar beurt weer van groot belang om de huidige klimaatmodellen te perfectioneren. De Spaanse onderzoeker in opleiding Carme Huguet verfijnde in haar promotieonderzoek op Texel de recentelijk bij het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek ontwikkelde TEX86 paleo-thermometer. Deze is gebaseerd op zeewater temperatuur afhankelijke veranderingen in de vetsamenstelling van de celwand van bepaalde typen oerbacteriën; de Crenarchaeota. Zij promoveert op dit onderzoek op maandag 17 september aan de Universiteit van Utrecht.

 

Echte thermometers bestaan sinds de 17e eeuw. Voor alle perioden daarvoor zijn onderzoekers afhankelijk van aanwijzingen uit de natuur. Geochemici nemen voor dit soort bepalingen hun toevlucht tot moleculen uit micro-organismen, waarvan de structuur goed bewaard blijft in sedimenten op de zeebodem. Bij het NIOZ werd recentelijk de TEX86 index ontwikkeld. Deze is gebaseerd op temperatuurafhankelijke veranderingen in de vetsamenstelling van de celwanden van bepaalde typen oerbacteriën; de Crenarchaeota. De celmembranen hiervan zijn samengesteld uit speciale vetten, de tetra-ether lipiden, waarvan het aantal koolstofringen in het molecuul verandert met de temperatuur van het omringende zeewater. Hiermee passen deze organismen de mate van vloeibaarheid van hun membranen aan de heersende omstandigheden aan. Carme Huguet heeft een aantal facetten hiervan nader onderzocht en de bepaling sterk verbeterd.

 

Door een nieuwe detectiemethode werd de analytische reproduceerbaarheid van de TEX86 paleo-thermometer gebracht op ±0,3˚C en werd de spreiding in de meetresultaten teruggebracht tot 5% van het gemiddelde. De TEX86 waarden van in de waterkolom drijvend organisch materiaal en in de bovenste laag van het bodemsediment komen het best overeen met de temperatuur van het zeewater in de bovenste 100 m. De kleine cellen van Crenarchaeota kunnen echter niet op eigen kracht naar de bodem zinken; daarvoor zijn ze veel te licht. Dit gebeurt wel snel als cellen van Crenarchaeota gegeten worden door o.a. kreeftachtig dierlijk plankton. Het verblijf in het maag-darmkanaal van de kreeftjes tast de moleculen gelukkig niet aan. Eenmaal op de zeebodem beland is de conservering van de oorspronkelijke vetmoleculen het best in sedimenten waarin zuurstof niet doordringt. In moderne zuurstofloze sedimenten uit een zijtak van de Oslofjord gaven de gemeten TEX86 waarden de gemiddelde lente-herfst luchttemperatuur in Oslo goed weer. Temperatuur schattingen van de overgang van de laatste ijstijd naar het huidige inter-glaciaal werden gemeten met analyses aan twee boorkernen uit de Arabische Zee ten oosten van de hoorn van Afrika. De TEX86 temperaturen werden hier vergeleken met de waarden van een andere (Engelse) index; de Uk37. Hierbij traden verschillen aan het daglicht die verklaard kunnen worden door verschillen in het groeiseizoen van Crenarchaeote oerbacteriën en de (haptofyte) algen, waaruit de stoffen voor meting van de Uk37 index worden gewonnen. Ook zijn de verschillen in de upwellingsdynamiek van het zeewater in de Arabische Zee onder invloed van de passaatwinden in dit gebied. Deze dynamiek is sterk afhankelijk van het moessonseizoen in dit gebied.

Het onderzoek van Carme Huguet maakte ook duidelijk dat klimaatreconstructies altijd gebaseerd moeten zijn op vergelijkingen van meerdere typen metingen naast elkaar om onvermoede wetenschappelijke uitglijders te voorkomen.

De promotie vindt plaats op 17 september om 12:45 in het academiegebouw van de universiteit Utrecht. Promotor is Prof. dr. ir. Jaap S. Sinninghe Damsté (NIOZ en UU); co-promotor is Dr. ir. Stefan Schouten (NIOZ). Dit onderzoek werd gesubsidieerd door NWO.

 

Bibliografie:

Carme Huguet. Tex86 paleothermometry: proxy validation and application in marine sediments. Universiteit Utrecht, No. ISBN: 978-90-5744-141-7.

 

Meer informatie:

 

11 september

TEX86 paleothermometer for climate reconstruction refined…

 

The determination of the sea surface temperatures (SST’s) in oceans and coastal seas is of great importance for the reconstruction of historical changes in climate and oceans currents. This informations can also be used to validate our current climate models used to forecast fture changes in both parameters. Spanish PhD student Carme Hueget has refined our newly developed TEX86 paleo-thermometer. The TEX86 is based on temperature-induced changes in the molecular structure of the lipids constituting the cell wall of Crenarchaeota, a branch of the Archaea. Carme Hueget will defend her PhD thesis at Utrecht University on 17 September. Her supervisor is NIOZ scientist Jaap Sinninghe damste, who is also a professor at Utrecht University.

 

Real thermometers have been available since the 17th century. For all periods before this, researchers depend on signs from nature. For such determinations, geochemists resort to molecules from microorganisms whose structure is well preserved in seabeds.

The TEX86 index has recently been developed at Royal Netherlands Institute for Sea Research (NIOZ). It is based on temperature-dependent changes in the lipid composition of the cell walls of certain types of archeabacteria. Their cell membranes are composed from special lipids of which the number of carbon rings in the molecule changes with the temperature of the surrounding seawater. These organisms therefore adjust the degree of fluidity of their membranes to the prevailing conditions. Carme Huguet studied several aspects of this in greater detail and made significant improvements to the determination.

With a new detection method the analytical reproducibility of the TEX86 paleothermometer was brought to ±0.3 °C and the deviation in the results measured was reduced to 5% of the average. The TEX86 values for organic material out of the water column and from the uppermost layer of the floor sediment best match the temperature of the uppermost 100 m of seawater.

However, the small cells of Crenarchaeota cannot sink to the floor by themselves; they are far too light for that. This is, however, achieved more rapidly if the cells of Crenarchaeota are eaten, for example, by crustaceous zooplankton. Fortunately, the time spent in the gastrointestinal tract of the crustaceans does not harm the molecules. Once they have landed on the sea floor, the preservation of the original fat molecules takes place best in anaerobic sediments.

In modern, anaerobic sediments from a side branch of the Oslo fjord, the measured TEX86 values accurately reflected the average spring-autumn air temperature in Oslo. Temperature estimations of the transition from the last ice age to the present interglacial period were made using two cores drilled from the Arabian Sea. The TEX86 temperatures were compared with values from a British index; the Uk37.

The index differences can be explained by differences in the growing season of the archeabacteria and algae that the Uk37 index is dependent on. The upwelling dynamic of the seawater in the Arabian Sea also exerts an influence. This dynamic is strongly dependent on the monsoon season in this area.

 

This research was funded by the Netherlands Organisation for Scientific research (NWO).

 

 

 

4 september

Weer nieuwe subtropische vissoort in de Waddenzee…

 

Op 29 en 30 augustus en 2 september werden in totaal 4 jonge goudbrasems gevangen in de fuik van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek op Texel. Deze soort komt algemeen voor in de Middellandse Zee en staat daar onder de naam dorade ook vaak op het menu. In de Atlantische Oceaan komt de soort voor net ten zuiden van de Noordzee; vanaf Senegal tot aan Het Kanaal. Net als bij de pelser dit voorjaar is hier dus weer sprak van het binnenkomen van een zuidelijker vissoort.

 

 

De goudbrasem (Sparus aurata, Linnaeus, 1758) behoort tot de familie van de Sparidae, die uit hoge en platte, tropische- of subtropische vrijzwemmende soorten met goed ontwikkelde tanden bestaat. Aan deze tanden zijn de geslachten vaak al goed te onderscheiden. De goudbrasem is een subtropische kustvis, die in zoet, brak en zout water voorkomt. De diepte waarop de soort voorkomt is vanaf het zeeoppervlak tot op 150 m. De goudbrasem is een roofvis, die zich voornamelijk voedt met dierlijk voedsel. De verschillende soorten Sparidae zijn op basis van vlekken of kleuren te onderscheiden, evenals het aantal schubben langs de zijlijn. De goudbrasem heeft een zwarte vlek boven de borstvin tot over de achterste kieuwdeksel en het goud in de naam komt van een goudkleurige band tussen de ogen. Hij heeft 73-85 schubben langs de zijlijn. De vier gevangen exemplaren waren alle jonge dieren van resp. 1*12 cm en 3*13 cm lengte. Volwassen goudbrasems worden wel 70 cm.

In de Noordzee is de goudbrasem uiterst schaars en in Nederland is deze soort zelfs nog nooit eerder gevangen. Dit is tegenstelling toto de nauw verwante zeekarper, Spondyliosoma cantharus. Deze heeft ongeveer hetzelfde verspreidingsgebied als de goudbrasem, maar wordt elk jaar wel uit ons gebied gemeld. In de NIOZ fuik in het Marsdiep werd de zeekarper sinds 1960 al 11 maal gevangen. Ook hier zijn het altijd jonge dieren. Zoals bij veel dieren zijn het vooral de jongen die geneigd zijn de grootste tochten te ondernemen. Dit waarschijnlijk om eventueel nieuwe leefgebieden te koloniseren. Of de goudbrasem hier vaste grond onder de voeten kan krijgen, zal moeten blijken. Feit is wel dat ook andere zuidelijke soorten met een vergelijkbare verspreiding hier steeds vaker gezien worden. Anderen worden algemener. Vanaf de zestiger jaren kenden de diklip-, dunlip- en goudharder een grote uitbreiding naar het noorden vanuit het kanaal en vanaf de tweede helft van de tachtiger jaren zien we een sterke toename van de zeebaars, die we voor onze kust nu als algemeen kunnen beschouwen. Dit voorjaar werd nog een korte invasie van pelsers in het Marsdiep waargenomen. Het is redelijk om te veronderstellen dat een toename van de zeewatertemperatuur hier een rol in speelt, hoewel andere mogelijkheden ook opengehouden moeten worden. In het geval van de goudbrasem kan niet geheel worden uitgesloten dat het om exemplaren gaat die afkomstig zijn uit kweek (aquacultuur). Ze worden nl. landen rond de Middellandse Zee veel gekweekt en kunnen dus ontsnapt zijn of zelfs moedwillig uitgezet. Het feit echter dat het hier om jonge exemplaren gaat, maakt het zeer aannemelijk dat het hier om ‘wilde vissen’ gaat.

 

Meer informatie:

 

 

1 september

Strategisch eten in de natuur - De afhaalchinees in de Waddenzee?

 

Voedsel is een eerste levensbehoefte voor vrijwel alle dieren. Het ligt echter in de Waddenzee niet voor het oprapen en dus moet je er naar op zoek. Maar als je niet veel tijd hebt, waar kun je dan het beste heengaan? Isabel Smallegange onderzocht de strategie van het voedsel zoeken bij strandkrabben en ontdekte dat de rijkste voedselplek wel altijd de eerste keus is voor de boodschappen maar niet voor het diner. Zij deed dit onderzoek bij het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek op Texel en zal haar proefschrift op 5 september verdedigen aan de Universiteit van Amsterdam.

 

In eerste instantie zou je zeggen dat de rijkste voedselplek altijd ook de eerste keus is. Maar zo denken er natuurlijk meer dieren over zodat iedereen naar die voedselplek toegaat. Als gevolg hiervan strijden hier heel veel dieren om het beschikbare voedsel (competitie). Omdat er veel kapers op de kust zijn, blijft er dan weinig tijd over om de buitgemaakte prooien ook daadwerkelijk te verorberen. De huidige theorie over het verspreidingsgedrag van voedselzoekende dieren stelt daarom dat het in dat geval beter is om naar een minder rijke voedselplek te gaan, omdat daar ook minder concurrenten zijn en de competitiedruk dus minder hoog is. In de hypothese voor dit onderzoek is dan ook specifiek het positieve effect van voedselaanbod en het negatieve effect van de aanwezigheid van soortgenoten opgenomen. Deze hypothesen werden vervolgens met behulp van gedragsmodellen en gedragsexperimenten met voedselzoekende strandkrabben getoetst in experimentele opstellingen in klimaatkamers bij het NIOZ. De experimenten lieten zien dat strandkrabben hun prooien wèl degelijk altijd op de rijkste voedselplek proberen te vangen. Echter, in tegenstelling tot voorspellingen van de huidige theorie, eten strandkrabben hun prooi daar niet op, maar nemen ze deze mee naar een dicht bijzijnde armere voedselplek waar veel minder concurrenten zijn die ook willen mee-eten. Met behulp van deze ‘voedsel-afhaal’ strategie maximaliseren strandkrabben hun voedselopname en minimaliseren ze tegelijkertijd de negatieve effecten van concurrerende soortgenoten. Veldwaarnemingen in de Waddenzee suggereren dat strandkrabben rekening houden met beide factoren bij de uiteindelijke keuze van hun voedselplek waneer de alternatieven ver uit elkaar liggen. Dit onderzoek werd gesubsidieerd door NWO.

 

Titel proefschrift: Interference competition and patch choice in foraging shore crabs.

Promotor is Prof. Dr Maurice Sabelis (UvA) en co-promotor is Dr. Jaap van der Meer (NIOZ).

De verdediging vindt plaats op 5 september om 12:00 uur in de Aula van de Universiteit van Amsterdam, Singel 411, 1012 WN Amsterdam.

 

Meer informatie: