Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2012 - Januari


 
Overzicht 2012
  Mei
  April
  Maart
  Januari
Overzicht 2011
Overzicht 2010
Overzicht 2009
Overzicht 2008
Overzicht 2007
Overzicht 2006
Overzicht 2005
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

Description: Description: Description: Description: Description: Arrow-left Maart – 2012/2011 – December Description: Description: Description: Description: Description: Arrow    Archief Description: Description: Description: Description: Description: Arrow    

 

Januari 2012

 

 

Description: Description: Description: Description: Description: nl-lgflag

20 januari

Het raadsel van de verdwenen paling

 

Door Tim van Oijen, Waddenacademie

 

 

 

Al sinds de tweede helft van de jaren zestig neemt het aantal palingen in de Waddenzee af. Wetenschappers zochten met een modelstudie naar de achterliggende oorzaken. Naast een dalende aanwas - waarvan het waarom deels onopgehelderd blijft - moet een verslechtering van de leefomstandigheden voor de paling een rol hebben gespeeld.

De paling heeft een ingewikkelde levenscyclus (Zie WadWeten Glipt de paling ons tussen de vingers?). Volwassen palingen maken de lange reis over de Atlantische Oceaan naar de Sargassozee om zich daar voort te planten. De larven groeien tijdens de terugreis uit tot jonge alen, glasalen genoemd. Vele zoeken de binnenwateren op maar een klein deel blijft zijn hele leven in de Waddenzee. Net als in heel Noord-Europa loopt hier het aantal palingen al sinds de jaren zestig terug, zo blijkt uit vangsten in een door het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (NIOZ) bij Texel geplaatste fuik. Wetenschappers van het NIOZ hebben met een wiskundig model de ontwikkeling van de palingpopulatie in de Waddenzee nader onderzocht.

 

Het door de onderzoekers geconstrueerde model bestaat uit twee onderdelen. Het eerste is een beschrijving van de groei van de paling met behulp van een DEB (Dynamic Energy Budget) model. Dit deelmodel is opgenomen in een populatiemodel dat de groei van cohorten (jaarklassen) van paling beschrijft.

Beide modellen samen voorspellen de veranderingen in aantal, leeftijdssamenstelling en lengteverdeling van de populatie over de jaren heen. De natuurlijke sterfte werd constant gehouden over de gehele periode (1960-heden). De visserijsterfte werd beschreven met een wiskundige functie waarin de sterfte afhing van de lengte van de vis. De vangst en dus de sterfte neemt immers sterk toe wanneer de palingen volwassen worden. Als invoer voor het model werden tellingen van glasaal bij de Afsluitdijk gebruikt. Deze aanwas, het aantal jonge dieren dat bij de populatie komt, was over de jaren heen net als bij vele in zee levende organismen erg variabel (zie grafiek).

 

De met het model berekende fuikvangsten kwamen over het algemeen goed overeen met de daadwerkelijke vangsten. Er waren twee opvallende verschillen. De sterke daling in de vangst in de jaren tachtig werd ook door het model voorspeld, maar pas jaren later. Verder voorspelde het model een kleine toename in de vangsten rond het jaar 2000 dankzij een relatief hoge aanwas in 1997. Die opleving werd echter niet waargenomen. De wetenschappers concluderen dat deze verschillen alleen kunnen worden verklaard met verslechterde omstandigheden voor de opgroeiende palingen. Naast de toegenomen visserij kan dit onder meer te maken hebben met vervuiling of klimaatverandering. De afname van het aantal palingen in het IJsselmeer kan mede zijn veroorzaakt door de aanleg van barrières als sluizen die de palingtrek hinderen. Op de lokale populatie in de westelijke Waddenzee zal dit echter geen invloed hebben gehad.

 

Dat niet alleen visserij de oorzaak is, blijkt ook uit het feit dat in het IJsselmeer het aantal alen in de lengteklasse van 10 tot 25 cm al sinds het midden van de jaren zestig afneemt. Deze dieren zijn kleiner dan de minimum vangstlengte van 28 cm. De aanwas van glasaal nam pas dramatisch af in de jaren tachtig; de afname van de kleinere palingen moet dus ergens anders door komen.

 

De daling in de palingstand in de Westelijke Waddenzee blijft, net als voor het IJsselmeer, nog deels een raadsel. Om het mysterie op te lossen, is het met name van belang om meer te weten te komen over de jongste levensstadia van de paling. Er is maar weinig bekend over de groei van de glasalen tijdens de trek. Die kennis zou voor een deel kunnen komen van onderzoek van de groei van glasalen bij de palingkweek.

 

Nadere informatie:

Prof. Dr Jaap van der Meer, NIOZ Dept. of Marine Ecology

 

Lees het volledige artikel in het Journal of Sea Research

 

 

uk-lgflag

20 January

The mystery of the Disappearing Eel

 

By Tim van Oijen, Waddenacademie

 

 

 

From the mid-1960s onwards, the number of young eels in the Wadden Sea has been decreasing. In a model study, scientists have tried to find an explanation for the eels' disappearance. It appears that in addition to declining population growth, for which no explanation has been found yet, changes in their environment may well have played an important role.

The life cycle of an eel is quite complex. Adult eels go on a long journey across the Atlantic Ocean to the Sargasso Sea to procreate. Their larvae turn into young eels, called elvers, on their way back. Many of them go to inland waterways, but some stay in the Wadden Sea their entire lives. Just as in the rest of Northern Europe, the number of eels in the Wadden Sea has been in decline since the 1960s. The catches in fyke nets set near Texel by the Royal Netherlands Institute for Sea Research, NIOZ, confirm this development. NIOZ scientists have studied the eel population in the Wadden Sea in more detail, using a mathematical model.

 

Population Growth

 

The model that the scientists created consists of two elements. The first element describes the growth of the eel on the basis of a DEB (Dynamic Energy Budget) model. This part of the model has been incorporated in a population model describing the growth of cohorts or batches of eel.

The two models combined describe changes in number, age structure and height structure of the population over the years. Natural mortality was taken to be constant during the period (1960-present). A mathematical function based on a correlation between mortality and fish length is used to describe fishing mortality. After all, the number of eel caught and thus eel mortality increases when the eels grow bigger. The input to the model was data from elver counts near the Afsluitdijk The eel population growth, the number of new elvers, was very changeable over the years, just as with many other marine organisms (see graph).

 

The catches in the fyke as calculated by the model generally matched the actual catches. However, there were two notable differences. The marked decline in the 1980s was predicted by the model, but only years later. Furthermore, the model predicted a slight increase in catches around the year 2000 because of the relative large number of elvers in 1997. However, this increase did not occur. Scientists conclude that these changes can only be explained by changes in the living conditions of young eel. These may be caused by increased fishery, pollution or climate change. The decreasing number of eels in the IJssselmeer may be caused partly by the construction of barriers, such as locks, that hinder eel migration. However, this cannot have influenced the local eel population in the western Wadden Sea.

 

Eel Farming

Fishing is not the only cause of the declining eel population as the number of eel in the 10-25-cm length class has been in decline since the mid-1960s. These eels are shorter than the minimum catch size of 28 cm. The number of elvers only started declining dramatically in the 1980s, so the decrease in the number of smaller eels must have been caused by something else.

The cause of the declining eel stock in the western Wadden Sea, as well as in the IJsselmeer, remains unknown to a degree. Solving this mystery requires first of all more information about the early stages of the lives of eels. Little is known about the growth of elvers during migration. Research into the growth of elvers that are being farmed may yield information about this.

 

Further information:

Prof. Dr Jaap van der Meer, NIOZ Dept. of Marine Ecology

 

The full article can be found in the Journal of Sea Research

 

 

 

Description: Description: Description: Description: Description: nl-lgflag

19 januari

High-tech krabplevier verbindt Oman met Iran

 

Door Roeland Bom & Jan van Gils

 

In het oosten van het sultanaat Oman ligt Barr al Hikman, een groot en ongerept tropisch waddengebied. Het gebied wordt  gekenmerkt door een enorme rijkdom aan leven: schildpadden, vissen, krabben en een duizelingwekkend aantal vogels maken deel uit van het ecosysteem.

 

Een groep onderzoekers van het NIOZ bestudeert sinds kort het ongerepte ecosysteem. In hun onderzoek werken ze samen met het plaatselijke ministerie en met studenten van de Sultan Qaboos Universtity. Eén van de doelen van de onderzoekers is om heel gedetailleerd de bewegingen van een belangrijke toppredator, de krabplevier Dromas ardeola, in kaart te brengen. Daarbij maken ze gebruik van een nieuw type satellietlogger, ontwikkeld door de Universiteit van Amsterdam.

 

Tijdens een expeditie in maart 2011 zijn drie krabplevieren uitgerust met een dergelijke logger. In november 2011 zijn de onderzoekers teruggegaan naar het gebied om opnieuw een aantal krabplevieren te voorzien van een logger. De biologen waren enorm opgetogen toen ze een in maart gezenderde krabplevier terugvonden. De zender van de vogel bleek nog te werken en kon de opgeslagen gegevens over een draadloos netwerk doorsturen. Op de computer werden toen de omzwervingen van de vogel tussen maart en november 2011 te zien.

 

De onderzoekers zagen dat ‘hun’ krabplevier in de namiddag van 7 mei is vertrokken uit Barr al Hikman. De vogel verliet direct de voor hem waarschijnlijk vertrouwde omgeving van de kust en zette koers dwars over de woestijn en een hoog berggebied. In de vroege morgen van 8 mei bereikte de krabplevier de noordkust van Oman, waar het korte tijd rustte. Vervolgens ging de reis langs de oostkust van de Verenigde Arabische Emiraten, over Arabische golf naar Iran. In Iran zette de krabplevier langzaam de reis voort, totdat het op 30 mei zijn potentiële broedgebied bereikte in het zuidwesten van Iran, 1600 km verwijderd van Barr al Hikman. Hier bleef de vogel een lange zomer en was waarschijnlijk bezig met het bebroeden van een ei. Zeker weten doen de onderzoekers dat natuurlijk niet, maar het is veelbelovend dat de gegevens uit deze periode geregeld gaten bevatten. Aangezien krabplevieren in holen broeden, zou dit zo maar kunnen betekenen dat de vogel onder de grond zat, met de GPS ontvanger buiten het bereik van de satellieten. De vogel is op 22 oktober begonnen aan zijn 1600 km lange terugtocht. Dit keer duurde die vlucht slechts 2 dagen.

 

De gegevens van deze krabplevier helpen de biologen in het beschrijven en begrijpen van de jaarlijkse trek die duizenden wadvogels elk jaar ondernemen. De vogel illustreert dat wadgebieden zoals Barr al Hikman niet alleen staan, maar dat ze onderdeel vormen van een wereldwijd web, verbonden door migrerende wadvogels.

 

Figuur 1. Krabplevieren werden gevangen in de nacht. Dit is een efficiënte en pijnloze manier om vogels te vangen. Op de foto zijn de onderzoekers de netten aan het opzetten.

 

Figuur 2. Een gevangen krabplevier wordt snel naar een veldlaboratorium gebracht, waar het wordt geringd en opgemeten.

 

Figuur 3. Een aantal vogels zijn uitgerust met een GPS-logger, waarmee heel precies de bewegingen kunnen worden gevolgd. De loggers werden omgedaan met een speciaal tuigje. Ook kreeg elke vogel een unieke kleurring combinatie om ze individueel te herkennen. Snel nadat de logger was omgedaan werd de vogel losgelaten.

 

Figuur 4. De volgende dag werden de gezenderde krabplevieren weer gezien met soortgenoten, blijkbaar zonder aandacht te besteden aan hun nieuwe uitrusting.

 

Figuur 5. Eén krabplevier kon worden gevolgd naar de broedgebieden in Iran en terug naar Barr al Hikman. De trek in de lente is te zien in oranje en de herfsttrek in wit.

De tijd tussen elk punt is 30 minuten.

 

Meer informatie:

Msc Roeland Bom, NIOZ Dept. of Behavioural Ecology

Dr Jan van Gils, NIOZ Dept. of Behavioural Ecology

Nienke Bloksma, NIOZ Communication: +31(0)222 – 369 460 of +31(0)6 – 53 49 47 14

 

 

 

uk-lgflag

19 January

High-tech crab plovers connect wetlands of Oman and Iran

 

By Roeland Bom & Jan van Gils

 

Barr al Hikman, a large pristine coastal wetland in the Sultanate of Oman belongs to one of the world’s most undisturbed tropical intertidal ecosystems. The place is enchanted with wildlife: crabs, turtles, fish and a dazzling number of half a million waterbirds inhabit the area either permanently or temporary.

 

A team of Dutch researchers from the NIOZ Royal Netherlands Institute for Sea Research recently started a long-term study on the functioning of the ecosystem. Their study is supported in Oman by the Centre for Environmental Studies And Research (CESAR) and the Ministry of Environment and Climate Affairs. One of their goals is to study the fine-scaled movements of a keystone predator bird, the crab plover Dromas ardeola. In their studies, they make use of a novel type of satellite tracking device, developed by the University of Amsterdam.

 

As a pilot, three crab plovers where successfully equipped with such a device in March 2011. The biologists were thrilled to find one of these birds back in November. The tracking device of the bird transmitted all its data through a wireless network to a computer, after which the researcher could see all its whereabouts between March and November 2011.

 

The researchers were extremely pleased to see that “their” bird had flown all the way to South-West Iran and back to Oman. The data showed that the crab plover set off for a 1,600-km journey on the 7th of May 2011. It flew straight across the desert and the mountains of Oman, until it reached the coast north of Sohar where it rested for a while. Next day it set off to Iran, after following the east coast of the United Arabic Emirates and Musandam. In Iran it slowly made its way west until reaching its potential breeding grounds on the 30th of May. At this place, the bird spent a long summer and was probably busy incubating its egg and raising a chick. At the 22nd of October it set off for its journey back to the Sultanate. This time it took the bird only 2 days to fulfil the 1,600-km flight.  

 

The data of this bird helps the biologists in describing and understanding the annual journey that thousands of shorebirds endeavour each year. The bird illustrates that wetlands like the Barr al Hikman do not stand on their own but are part of a worldwide web connected by migratory shorebirds.

 

Figure 1. The crab plovers were caught in the night with mistnets while they were flying to their foraging grounds. This as a very efficient and harmless way to catch birds.

The picture shows members of the team building up the nets.

 

Figure 2. When a crab plover was caught, it was quickly brought to a field laboratory where it was measured and ringed.

 

Figure 3. Some birds were equipped with a GPS-logger which enables fine-scaled tracking by the use of satellites. Loggers were attached with a special harness, and each bird was given a unique set of colour-rings in order to recognize it individually.

Soon after attaching the logger and the rings birds were released such that they could join their conspecifics again.

 

Figure 4. The next day the crab plovers were seen in big groups again and paying no attention to their new fancy dress.

 

Figure 5. One crab plover could be tracked all the way to its breeding grounds in Iran and back to Barr al Hikman in Oman. The spring migration is shown in orange and the autumn migration in white. Time in between each dot is 30 minutes.

 

Meer informatie:

Msc Roeland Bom, NIOZ Dept. of Behavioural Ecology

Dr Jan van Gils, NIOZ Dept. of Behavioural Ecology

Nienke Bloksma, NIOZ Communication: +31(0)222 – 369 460 of +31(0)6 – 53 49 47 14

 

 

 

Description: Description: Description: Description: Description: nl-lgflag

18 januari

Prestigieuze prijs voor Stefan Schouten

 

Deze week werd bekend dat NIOZ-onderzoeker Prof. Dr. Stefan Schouten de prestigieuze Patterson Prijs van de Geochemical Society heeft gewonnen. Schouten ontvangt deze prijs voor zijn vele bijdragen aan de organische geochemie, en in het bijzonder voor de ontwikkeling van een zogenoemde paleothermometer.

 

De prijs wordt eind juni in Montréal uitgereikt tijdens de V.M. Goldschmidt Conferentie.

 

Stefan Schouten heeft met zijn collega’s de afgelopen tien jaar onder meer gewerkt aan de ontwikkeling van een ‘paleothermometer’, de TEX86 genaamd. Hij gebruikte de chemische structuur van de vetten in de celwand van oerbacteriën om de zeewatertemperatuur te bepalen. Deze techniek wordt nu breed toegepast, onder andere op sedimentkernen afkomstig uit de Noordelijke IJszee. Daaruit bleek dat zo’n 70 miljoen jaar geleden de zeewatertemperatuur ca. 15ºC moet zijn geweest.

 

De Clair C. Patterson Prijs wordt sinds 1998 jaarlijks uitgereikt aan een persoon die een vernieuwende doorbraak heeft bereikt op het gebied van de geochemie. Meestal is dat iemand uit de anorganische geochemie. Schouten: “Het is bijzonder leuk voor het vakgebied dat de prijs dit jaar wordt uitgereikt voor werk in de organische geochemie.”

 

C.C. Patterson (1922 – 1995) ontwikkelde een dateringsmethode op basis van uranium- en lood-isotopen. Deze methode gebruikte hij voor de Canyon Diablo meteoriet, waardoor hij de leeftijd van de aarde op 4,55 miljard jaar berekende. Deze schatting was veel nauwkeuriger dan andere schattingen uit zijn tijd, en bleef gedurende 50 jaar onveranderd.

 

Zie ook:

NIOZ persbericht 2004 over de TEX86 paleothermometer

C.C. Patterson Award

 

Meer informatie:

Prof. Dr Stefan Schouten, 0222 – 369 565, stefan.schouten@nioz.nl

Nienke Bloksma, NIOZ Communication: +31(0)222 – 369 460 of +31(0)6 – 53 49 47 14

 

 

uk-lgflag

18 January

Prestigious Award for Stefan Schouten

 

This week, the Geochemical Society announced that NIOZ scientist Prof. Stefan Schouten has been granted the prestigious C.C. Patterson Award. Schouten has been granted this award for his many contributions to organic geochemistry, and more specifically to the development of a so-called paleothermometer.

 

The award will be presented during the V.M. Goldschmidt Conference in Montréal at the end of June.

 

Research by Stefan Schouten and his colleagues included work on the development of a ‘paleothermometer’, called TEX86. Schouten established sea temperatures in the past on the basis of the chemical structure of lipids in cell membrane in archaea. This technique is now widely used, for instance on sediment cores from the Arctic Ocean, which showed that about 70 million years ago sea water temperatures must have been around 15ºC.

 

The Clair C. Patterson Award is presented annually to someone who has achieved an innovative breakthrough in the field of geochemistry. The award is usually granted to someone working in the field of inorganic geochemistry. Schouten said 'it is wonderful for this field of science that the award is now granted to someone working in the field of organic geochemistry'.

 

C.C. Patterson (1922-1995) developed a dating method based on uranium and lead isotopes. He used this method for dating the Canyon Diablo meteorite and calculated an age for the Earth of 4.55 billion years. This figure was far more accurate than other estimates at the time and it remained unchanged for over 50 years.

 

See also:

C.C. Patterson Award

 

More information:

Prof. Dr Stefan Schouten, 0222 – 369 565, stefan.schouten@nioz.nl

Nienke Bloksma, NIOZ Communication: +31(0)222 – 369 460 of +31(0)6 – 53 49 47 14