Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2009 - Juni


 
Overzicht 2012
Overzicht 2011
Overzicht 2010
Overzicht 2009
  December
  November
  Oktober
  September
  Augustus
  Juli
  Juni
  Mei
  April
  Maart
  Februari
  Januari
Overzicht 2008
Overzicht 2007
Overzicht 2006
Overzicht 2005
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

 Mei – 2009 – Juli     Archief     

 

Juni 2009

 

29 juni

NIOZ onderzoeksschip 'Pelagia' icoon van Nederlandse maritieme historie…

 

 

Bij de opening van de tentoonstelling 'Geen Zee te Hoog' in het Maritiem Museum Rotterdam werd op vrijdag 26 juni de Nederlandse maritieme Canon gepresenteerd.

 

Deze werd samengesteld onder leiding van een externe wetenschappelijke commissie en bevat 50 hoogtepunten van onze nationale maritieme historie. Het NIOZ is er uiteraard zeer trots op dat haar oceaan en Noordzee onderzoeksschip 'Pelagia' is uitgekozen als één van deze hoogtepunten. Het 1:100 schaalmodel van de Pelagia is dan ook met groot genoegen door het NIOZ uitgeleend aan deze tentoonstelling in het Maritiem Museum aan de Leuvehaven.

 

 

 

19 juni

Tropische koralen worstelen met licht…

 

Tropische koraalriffen krijgen hun rijke kleurscha-keringen door de eencellige algen die zich in de cellen van de koraalpoliepen nes-telen. Deze innige relatie is tot voordeel van beiden; een symbiontische relatie. NIOZ/UvA promovendus Pedro Frade ontrafelde hoe de koralen zich aanpassen langs een diepte gradiënt tussen 5 en 40m om zo onder verschillende licht-omstandigheden steeds de

optimale condities te scheppen voor hun inwendige algen. Hij verdedigt zijn proefschrift op 25 juni aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Tropische koraalriffen krijgen hun rijke kleurschakeringen door de eencellige algen die zich in de cellen van de koraalpoliepen nestelen. Deze innige relatie is tot voordeel van beiden; een symbiontische relatie. NIOZ/UvA promovendus Pedro Frade ontrafelde hoe de koralen zich aanpassen langs een diepte gradiënt tussen 5 en 40m om zo onder verschillende lichtomstandigheden steeds de optimale condities te scheppen voor hun inwendige algen. Hij verdedigt zijn proefschrift op 25 juni aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Tropische koralen zijn afhankelijk van licht dat hun inwendige algen gebruiken om organische stoffen te produceren uit kooldioxide en water. Echter, hoe dieper het koraal voorkomt, hoe minder licht er in het zeewater doordringt. De vraag is nu: hoe kunnen koralen leven met de enorme verschillen in lichtsterkte die voorkomen vanaf het ondiepe rif (minder dan 5 m) naar de diepe delen van de rifhelling op 40-60 m?

De Portugese promovendus Pedro Frade heeft gedurende 4 jaar de verscheidenheid en het functioneren van koraalpoliepen van het genus Madracis en hun symbiontische algen van het genus Symbiodinium bestudeerd. Met dit onderzoek heeft hij de strategieën ontrafeld waarmee koralen en hun symbionten zich aanpassen aan de grote lichtverschillen op de helling van de riffen bij Curaçao over een diepte van 5 tot 40m. Al het veldwerk vond plaats vanuit het CARMABI, het instituut voor biodiversiteitsmanagement op Curaçao.

 

Onderzoeksopstelling op het rif

 

Frade ontdekte hoe drie verschillende stammen van de Symbiodinium alg verschillen in hun voorkeur voor zes nauwverwante soorten van het Madracis koraal. Elke algenstam heeft een voorkeur voor een bepaald stukje van de totale diepterange waarover het koraal voorkomt. Dit is ook zichtbaar in kleurverschillen van de koraalkolonies op verschillende diepten. Deze hoge mate van specificiteit in de afhankelijkheid van koraal en zijn symbiontische alg geeft geen aanleiding tot optimisme wat betreft de mogelijkheden van adaptatie van deze koralen in een veranderend klimaat.

 

Bescherming tegen zonnebrand

In alle Madracis/Symbiodinium varianten kwamen verschillende betaïnen voor. Deze stoffen beschermen de alg tegen 'overbelichting' tijdens de fotosynthese. Bovendien varieerden de concentraties van deze betaïnen in relatie tot de waterdiepte, en dus de lichtintensiteit. Betaïnen zijn waarschijnlijk van groot belang als bescherming tegen het bleken van koraal. Koralen bleken bij te hoge watertemperaturen. De symbiontische algen worden dan tijdelijk door het koraal 'buiten de deur' gezet en de kolonie wordt plotseling hagelwit; de kleur van het kalkskelet. Als zo'n ongunstige situatie te lang duurt, kunnen de algen niet meer terugkeren. Dan sterft het koraal.

De resultaten tonen een sterke invloed van de lichtintensiteit op de fysiologie van het koraal. Hiermee optimaliseert het koraal de interne omstandigheden voor zijn symbiontische algen. Deze door het koraal op gang gebrachte optimalisatie verklaart het voorkomen van Madracis koralen over grote diepteverschillen op riffen.

Nieuw onderzoek zal moeten aantonen of betaïne produktie kan worden gemanipuleerd en gebruikt voor de bescherming van door bleking/opwarming bedreigde koraalsoorten.

 

Dit onderzoek werd extern gefinancierd door de Portuguese Science and Technology Foundation (FCT) met een PhD beurs voor Pedro Frade en aanvullende fondsen van de Treub Maatschappij en NWO.

 

De openbare verdediging van het proefschrift vindt plaats op 25 juni om 12:00 uur (precies) in de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal 231 te Amsterdam.

 

 

Meer informatie:

- Pedro Frade, T: 0222 369 508, M: 06 1992 8578

- Prof. dr. Rolf P.M. Bak, 1e promotor, NIOZ en UvA.

- Prof. dr. Jef Huisman, 2e promotor, UvA, ,T: 020 525 7085

- Dr. Jan Boon (NIOZ Communicatie & PR), M: 06 2096 3097

- Joost van Tilburg, afdeling persvoorlichting UvA, T: 020 525 2681

 

Bibliografie proefschrift: Pedro R. Frade (2009). Corals through the light - Phylogenetics, functional diversity and adaptive strategies of coral-symbiont associations over a large depth range. PhD Thesis, University of Amsterdam.

 

 

5 juni

Kiezelwier-vetten als indicatoren voor klimaat en ouderdom van aardolie…

 

Fossiele vetmoleculen in de zeebodem spelen een hoofdrol in het onderzoek naar klimaatveranderingen in het verleden en in de bepaling van de ouderdom van olie. NIOZ onderzoeker-in-opleiding Sebastiaan Rampen concentreerde zich hierbij op de tegenwoordig zeer belangrijke algengroep van de kiezelwieren en onderzocht 106 verschillende soorten. Hij vond indicatoren voor intensieve opwelling van voedselrijk bodemwater naar het zeeoppervlak bij Somalië en Antarctica;

 

Microscoopfoto diatomeeën (Foto: Jolanda van Iperen, NIOZ)

een proces dat zeer belangrijk is voor de productiviteit van het hele voedselweb en sterk beinvloed wordt door verschillende klimaat-omstandigheden. Ook kunnen vetten van kiezelwieren een belangrijke rol spelen bij de datering van olie van tussen de 180 en 25 miljoen jaar oud. Rampen zal zijn proefschrift op 11 juni verdedigen aan de Universiteit van Utrecht.

 

Kiezelwieren, of diatomeeën, vormen tegenwoordig één van de belangrijkste algengroepen in zout en in zoet water. Zij zijn echter relatief recentelijk ontstaan,  ongeveer 180 miljoen jaar geleden. Hun evolutie valt samen met de vorming van verreweg de meeste oliereservoirs op aarde. Kiezelwieren floreren vooral onder voedselrijke omstandigheden zoals in kustzeeën, waar de voedingstoffen met de rivieren mee in zee stromen, en in opwellingsgebieden in de oceaan, waar de voedingsstoffen met water uit de diepzee mee naar het zeeoppervlak komen. Op zoek naar moleculen waarmee de dichtheden van specifieke kiezelwier-soorten in het verleden gereconstrueerd kunnen worden, onderzocht Rampen de biologische verwantschap van 106 verschillende soorten met moleculair biologische en chemische methoden. Hierbij werd bekeken welke vetten er in de verschillende soorten voorkomen, en of deze vetten specifiek zijn voor bepaalde groepen kiezelwieren. Verder werd van een aantal specifieke vetten onderzocht onder welke omstandigheden ze in natuurlijke millieus geproduceerd worden en of ze ook goed geconserveerd worden in de zeebodem.

 

Klimaatreconstructie

Rampen vond onder andere een tweetal typen vetten (1.14-diolen en 12-hydroxy methyl-alkanoaten genaamd) die uitsluitend gemaakt worden door kiezelwieren van het geslacht Proboscia, algen die veelvuldig voorkomen in gebieden waar opwelling van diepzee water naar het oppervlak plaats vindt. De specifieke vetten van deze algen zijn ook in grote hoeveelheden in opwellingsgebieden gerapporteerd en kunnen gebruikt worden bij het reconstrueren van de stroomsterkte van de opwelling in het verleden. Deze informatie kan vervolgens gebruikt worden bij het reconstueren van het klimaat, omdat de opwellingssterkte direct gerelateerd is aan verscheidene klimaateigenschappen en de rijkdom van een ecosysteem.

 

Behalve 1,14-diolen komen ook 1,13- en 1,15-diolen voor, die door andere algen geproduceerd worden, die minder beinvloed worden door opwelling. Rampen gebruikte de verhouding van 1,14 diolen ten opzichte van 1,13- en 1,15-diolen als een nieuwe index voor de intensiteit van opwelling. In de Arabische Zee bij Somalië vond hij voornamelijk 1,14-diolen in sedimentlagen van het Holoceen,  tussen 60.000 en ~45.000 jaar geleden en ~80.000 jaar geleden, wat aangeeft dat er in die periodes sterke opwelling plaats vond. Dit werd in dit gebied veroorzaakt door krachtige Zuidwest Moesson winden.

 

Ook bij het westelijke Antarctische schiereiland is een opwellinggebied waar Proboscia kiezelwieren voorkomen. Toepassing van de diol-index op een sedimentkern uit dit gebied gaf aan dat veranderingen van opwellingsterkte gerelateerd zijn aan veranderingen in de opwarming van West Antarctica. Tot op heden is klimaatreconstructie van Antarctica nogal problematisch, dus de nieuwe index kan hierin een belangrijke rol gaan spelen.

 

Ouderdomsbepaling van olie

De eerste kiezelwieren ontstonden ongeveer 180 miljoen jaar geleden tijdens de late Jura, maar het was pas vanaf ongeveer 55 miljoen jaar geleden (Eoceen periode) dat deze groep algen een belangrijke bijdrage begon te leveren aan te globale primaire productie. Uit de analyses van de 106 verschillende kiezelwieren bleek dat er nauwelijks vetten voorkomen die exclusief zijn voor deze groep algen. Toch zijn er een aantal vetten die gebruikt kunnen worden bij de ouderdomsbepaling van olie, omdat sterke veranderingen van de concentraties van deze vetten in de tijd verband houden met het ontstaan van bepaalde nieuwe groepen binnen de kiezelwieren en andere algengroepen. Zo toonde Rampen aan dat drie duidelijke toenames in de concentraties van 24-norsteroïden in aardolie gerelateerd kunnen worden aan de evolutie van kiezelwieren en een tweede algengroep, dinoflagellaten. Toenames tijdens de Jura en het Krijt (ca. 200 en 150 miljoen jaar geleden) zijn waarschijnlijk gerelateerd aan het ontstaan van bepaalde dinoflagellate-groepen, terwijl een derde toename van deze vetten in aardolie vanaf het Oligoceen-Mioceen (ca, 35 miljoen jaar geleden) waarschijnlijk verband houdt met een toename van kiezelwieren.

 

Dit onderzoek werd extern gefinancierd door STW en NWO-ALW.

 

Meer informatie:

- Sebastiaan Rampen

- Prof. dr. ir. Jaap Sinninghe Damsté (Senior onderzoeker NIOZ en promotor UU)

- Dr. ir. Stefan Schouten (senior onderzoeker NIOZ en co-promotor)

- Dr. Jan Boon (NIOZ Communicatie & PR), M: 06 2096 3097

 

Titel proefschrift: Rampen, S.W. Molecular fossils of diatoms: Applications in petroleum geochemistry and paleoenvironmental studies. Mededeling van de Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht no. 305: 262 pp.

ISBN: 978-90-5744-168-4.

 

 

Juni 2009

 

2 juni

Schelpdieren in de Waddenzee lijden onder opwarming…

 

Nonnetje met uitgestoken sifonen voor opname en uitscheiding van voedseldeeltjes

 Het warmer wordende klimaat benadeelt in steeds sterkere mate koude-minnende soorten. Hoe dit echter precies gebeurt was nog grotendeels onbekend. Onder de titel “Some like it cold…..” doen onderzoekers van het Koninklijk NIOZ op Texel en het Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie (CEME) van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in Yerseke in het wetenschappelijke tijdschrift Marine Ecology Progress Series uit de doeken hoe het schelpdier het nonnetje (Macoma balthica) in de Waddenzee schade ondervindt door perioden met relatief hoge temperaturen in verschillende seizoenen.

 

Gaan deze schelpdieren vooral acuut dood tijdens hittegolven of geleidelijk door langdurige verzwakking als gevolg van zachtere winters of warmere zomers? Gaan alleen hun overlevings-kansen achteruit of ook hun voortplantingssucces en hun groeisnelheid?

 

Vanaf 1970 deden de onderzoekers op de wadplaten van het Balgzand bij Den Helder steeds op dezelfde plekken twee keer per jaar en steeds volgens een vaste procedure metingen aan de talrijkheid van de nieuwe generatie Nonnetjes, het percentage van de volwassen dieren dat per half jaar door sterfte verdween en de individuele gewichtsveranderingen. Gedurende deze periode van bijna 40 jaar kwamen warme zomers en zachte winters steeds vaker voor. Zulke warmer dan gemiddelde seizoenen bleken op allerlei manieren een negatieve invloed uit te oefenen op de Nonnetjes. Zo resulteerden de zachtste winters in de daarop volgende zomer in een relatief kleine nieuwe generatie, de warmste lentes in een beneden-gemiddelde groei van de dieren en de warmste zomers in een verhoogde sterfte van de volwassen dieren. Zachte winters leidden ook nog tot extra vermagering doordat de stofwisselingsactiviteit van koudbloedige dieren zoals het nonnetje met de temperatuur toeneemt. Hierdoor wordt er in een zachte winter een grotere aanslag gedaan op de in de voorafgaande zomer aangelegde voedselreserves in de vorm van koolhydraten (glycogeen) dan in een strenge winter. Acute sterfte tijdens hittegolven lijkt daarentegen in de Waddenzee geen belangrijke rol te spelen, doordat Nonnetjes zich in de zomer relatief diep ingraven in de relatief koele wadbodem.

 

De gemeenschappelijke noemer van de gevonden effecten is een verslechtering van de energiebalans van de dieren bij hogere temperaturen. Sterke vermagering in zachte winters en slechte groei in het erop volgende voorjaar, dat dan meestal ook te warm is, leidt tot lichtgewicht dieren, die minder eieren produceren en sneller dood gaan dan dieren met een hoger startgewicht aan het begin van het groeiseizoen. Daarbij komt nog, dat roofvijanden als garnalen en krabben in het voorjaar in de Waddenzee talrijker zijn na zachte winters. Bij strenge winters vluchten deze naar de dan relatief warme Noordzee. De talrijkheid van vooral jonge garnalen in het voorjaar op het wad heeft een beslissende invloed op de overlevingskansen van heel jonge Nonnetjes kort nadat deze zich op wadplaten hebben gevestigd.

 

Vroeger waren Nonnetjes zeer talrijk in de Waddenzee. De laatste tien jaar zijn hun aantallen afgenomen tot minder dan 10% van de oorspronkelijke dichtheden. In het zuiden van hun verspreidingsgebied in Noord-Spanje of Zuidwest Frankrijk zijn ze op bijna alle oorspronkelijke vindplaatsen geheel of vrijwel geheel verdwenen. Al is de recente sterke achteruitgang van het Nonnetje misschien niet overal volledig toe te schrijven aan de klimaatverandering, het is wel waarschijnlijk dat het warmer worden van ons klimaat er in belangrijke mate aan heeft bijgedragen. Het is opmerkelijk, dat er duidelijke gevolgen van relatief warme seizoenen zijn aan te tonen op wel zo’n 1000 km ten noorden van de warme zuidgrens van het verspreidingsgebied van het Nonnetje.

 

Meer informatie:

- Dr. Jan Beukema, T: 0222 369 310,

- Dr. Jan Boon (NIOZ Communicatie & PR), M: 06 2096 3097

- Ir. Froukje Rienks (Communicatie & PR NIOO-KNAW)

 

Bibliografie artikel: J.J. Beukema, R. Dekker & J.M. Jansen (2009) Some like it cold: populations of the tellinid bivalve Macoma balthica (L.) suffer in various ways from a warming climate. Mar. Ecol. Prog. Ser. 384: 135-145. Lees het artikel op http://www.int-res.com/articles/meps_oa/m384p135.pdf