Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2005 - Oktober


 
Overzicht 2012
Overzicht 2011
Overzicht 2010
Overzicht 2009
Overzicht 2008
Overzicht 2007
Overzicht 2006
Overzicht 2005
  December
  November
  Oktober
  September
  Augustus
  Juli
  Mei
  April
  Maart
  Februari
  Januari
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

NIOZ Nieuwsarchief 2005

* September - 2005 - November     Archief     NIOZ in de pers

 

Oktober 2005

 

Flag-NL

27 oktober

Presentatie NIOZ rapport Status Wadvogels…

 

In een gemeenschappelijke persconferentie van het Koninklijk NIOZ en Vogelbescherming Nederland werd het NIOZ rapport 2005-4 “De Waddenzee als kruispunt van vogeltrekwegen. Literatuurstudie naar de kansen en bedreigingen van wadvogels in internationaal perspectief” op donderdag 27 oktober bij het NIOZ gepresenteerd. De auteurs van het rapport zijn Drs. Jeroen Reneerkens, Prof. dr Theunis Piersma en Drs. Bernard Spaans.

 

De voornaamste conclusies van het rapport werden gepresenteerd door Prof. Theunis Piersma en de gevolgen voor het toekomstige beleid van Vogelbescherming Nederland werden gepresenteerd door Drs. Marc Argeloo, hoofd bescherming van Vogelbescherming Nederland.

 

Samenvatting van het rapport

Download het complete rapport

 

Zie ook Leeuwarder Courant & Vogelbescherming Nederland

 

Meer informatie:

Prof. dr. Theunis Piersma (Koninklijk NIOZ)

Tel.: +31 (0)222-369 485, e-mail: theunis@nioz.nl

 

 

Flag-NL

27 oktober

Mysterie ontbrekende schakel in stikstofcyclus ontrafeld...

 

Vandaag besteedde het tijdschrift 'Nature' in de news feature ‘Pipe Dreams’ van Helen Pilcher (vol. 437, pp. 1227-1228) aandacht aan de spectaculaire ontdekking van de groep van de anammox bacteriën. Deze zetten ammonium en nitriet samen om tot stikstof, dat uit het zeewater kan ontwijken omdat het een gas is. De bacterie is ontdekt in waterzuiveringsinstallaties, maar uit o.a. NIOZ onderzoek blijkt nu, dat de bacterie op vele plaatsen ter wereld ook in zee voorkomt en daar een belangrijke rol speelt in de wereldwijde stikstofcyclus.

 

De reactie van ammonium met nitriet verloopt in unieke compartimentjes binnen de cel met een wand (membraan) van zeer speciale vetmoleculen, 'ladderanen' genoemd. Dit omdat het molecuul is opgebouwd uit een aantal vierkante cyclobutaanringen en er inderdaad uitziet als een moleculair laddertje. Deze structuur geeft een membraanstructuur met slechts heel kleine openingen en dat is ook hard nodig, omdat de raketbrandstof hydrazine(!) een tussenproduct is in de reactieketen. Hydrazine is uiterst giftig, en zou bij ontsnapping uit het speciale reactiecompartimentje binnen de cel het stofwisselingsproces in de rest van de cel dus onmiddellijk vergiftigen. Deze compartimentering binnen een cel is bij hogere planten en dieren heel normaal, maar komt bij bacteriecellen nauwelijks voor.

 

Meer informatie:

Prof. dr. ir. Jaap Sinninghe Damste (Koninklijk NIOZ)

Tel.: +31 (0)222-369 550, e-mail: damste@nioz.nl

 

 

Flag-NL

27 oktober

Grenzen aan de voorspelbaarheid van het getij in de Waddenzee…

 

Het getij wordt vaak als één van de best voorspelbare grootheden gezien. In basis afhankelijk van de stand van zon en maan en afwijkingen als gevolg van windsterkte en -richting. Door de vorm van het Noordzeebekken is het getij langs onze kust echter veel sterker dan op de Atlantische Oceaan waar zij haar oorsprong heeft. Dit heeft weer directe gevolgen voor de Waddenzee. De gebieden achter de verschillende zeegaten kunnen theoretisch beschouwd worden als afzonderlijke bekkens. Guido Terra vond, dat veranderingen in de vorm van zo'n bekken door bijvoorbeeld zeespiegelrijzing of bodemdaling, onverwachts toch zeer plotselinge gevolgen kunnen hebben voor het getij in zo'n bekken. Hij verrichte zijn promotie onderzoek deels bij het NIOZ en promoveerde donderdag 27 oktober op zijn proefschrift 'Non-linear tidal resonance' aan de Universiteit van Amsterdam. Co-promotor is NIOZ onderzoeker Dr. Leo Maas.

 

In veel kustgebieden is een belangrijke rol weggelegd voor het getij; de verschillen tussen hoog-en laag water en de daarmee gepaard gaande eb- en vloedstromen onder invloed van het samenspel tussen de maan en de zon. Het woord 'getij' vindt zijn oorsprong in het regelmatige voorspelbare karakter ervan: over het algemeen zit er keurig 12 uur en 25 minuten tussen twee opeenvolgende hoogwaters. Als de zon en de maan bij nieuwe maan en bij volle maan op één lijn met elkaar staan, dan versterken zij elkaar (springtij), en als zij loodrecht op elkaar staan, bij het eerste en het laatste kwartier, dan verzwakken zij elkaar, resulterend in doodtij. Dit wordt het evenwichtsgetij genoemd.

 

Afwijkingen van het zon-maan evenwichtsgetij

Er zijn echter twee redenen waarom het getij op aarde hiervan afwijkt. Ten eerste worden de oceanen op aarde van elkaar gescheiden door de continenten. Ten tweede draaien, ten opzichte van een vast punt op aarde, maan en zon te snel, zodat het water door zijn traagheid en door wrijving dit niet kan bijhouden. Alleen in de zuidelijke oceaan rond Antarctica ontbreken de continenten, en het gangbare beeld is dan ook, dat de getijgolf zich van hieruit voortplant over de andere oceanen en kustzeeën, welke vervolgens gaan 'meeslingeren'. Denk bijvoorbeeld aan het systeem Atlantische Oceaan-Noordzee-Waddenzee. Tijdens dit meeslingeren kan het getij flink versterkt worden, wat in de Noordzee en Waddenzee ook het geval is. Het evenwichtgetij is op de oceaan met 54 cm getijverschil voor de maan en 27 cm voor de zon relatief klein. Afhankelijk van locale omstandigheden, zoals de diepte en de vorm van het zeebekken, kunnen bepaalde trillingen van het evenwichtsgetij echter gaan resoneren met de eigentrilling van het zeebekken. Net als bij het aanduwen van een kind op een schommel heeft een duwtje met de juiste regelmaat veel meer effect dan een duwtje op het verkeerde moment. Resonantie in een eenzijdig-open getijdebekken treedt op als de lengte van het zeebekken gelijk is aan een oneven keer een kwart golflengte van de getijgolf, vergelijkbaar met de resonantie van lucht een orgelpijp. Omdat de Noordzee aan de zuidkant  in het Engelse Kanaal maar een relatief heel kleine opening heeft ten opzichte van de noordkant, kan zij modelmatig als zo'n half-open zeebekken worden beschreven.

 

Toepassing op de Waddenzee

Een ander type eigentrilling is te vinden in kleine zeebekkens die bijna geheel omsloten zijn door land en slechts door een smalle doorgang verbonden zijn met de 'moederzee'. Denk aan de verschillende kombergingsgebieden van de Waddenzee die van elkaar gescheiden zijn door wantijen, en die via de verschillende zeegaten tussen de eilanden in verbinding staan met de Noordzee. Deze 'trilholtes' kenmerken zich doordat binnen een bekken het water bijna overal tegelijk omhoog en omlaag gaat; het bekken lijkt te ademen. Het water wordt door het smalle zeegat heen en weer geperst als gevolg van verschillen in waterhoogtes in Wadden- en de aangrenzende Noordzee. Dit regelmatige beeld wordt echter verstoord doordat de snelheid waarmee de waterstand in een bekken verandert, kleiner wordt naarmate het water hoger komt. Dit komt doordat het voor water beschikbare oppervlak door de aanwezigheid van bij laagwater aanvankelijk zeer uitgestrekte wadplaten bij opkomend water zeer snel toeneemt . Hierdoor zijn er in principe meerdere evenwichtssituaties mogelijk; d.w.z. onder dezelfde omstandigheden kan het bekken zowel in een toestand met grote getijverschillen terechtkomen als in een toestand met veel kleinere verschillen tussen hoog en laagwater. Als de externe omstandigheden nu  langzaam veranderen, bijvoorbeeld onder invloed van een langzame zeespiegelrijzing of  een eventuele bodemdaling, dan kán zo'n systeem zich in theorie heel plotseling gaan aanpassen naar een nieuwe situatie, met een veel hoger òf  juist een veel lager hoogteverschil tussen hoog en laagwater en de daarmee verbonden getijstromingen door het zeegat. Zelfs al zouden de externe omstandigheden daarna weer worden teruggebracht naar de oude waarden, dan nog blijft het systeem in de nieuwe toestand 'hangen'. Guido's proefschrift laat dus zien, dat er tóch theoretische grenzen zijn aan de voorspelbaarheid van het getij in een bekken als de Waddenzee.

 

Meer informatie:

Dr. Leo Maas (Koninklijk NIOZ)

Tel.: +31 (0)222-369 419, e-mail: maas@nioz.nl

 

 

Flag-NL

13 oktober

Nature publicatie:

Atlantische Oceaan bepaalt droogte in Afrika…

 

Verschillen in zeewatertemperaturen van de Zuid-Atlantische Oceaan bepaalden de afgelopen 20.000 jaar de vochtigheid in de tropische regenwouden van centraal Afrika. Dat bewees Stefan Schouten van het NWO-instituut, Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel samen met onderzoekers van de Universiteit van Bremen en de Universiteit van Kiel (Duitsland). Zij rapporteren hun bevindingen deze week in het tijdschrift Nature.

 

De onderzoekers ontdekten dat de vochtigheid in centraal Afrika sterk varieerde met de oppervlaktetemperatuur van de Zuid Atlantische Oceaan. Deze kon door de eeuwen heen worden bepaald aan de hand van fossiele restanten van zee-organismen in sedimentkernen.

 

De onderzoekers bestudeerden sedimenten die afgezet werden vlakbij de monding van de Kongo rivier voor de kust van west-Afrika. Deze rivier voert veel plantenresten mee uit de tropische regenwouden van centraal Afrika, die op de zeebodem worden afgezet en bewaard. De zeebodem vormt daarmee een archief van het klimaat op het land. Het blijkt dat de hoeveelheid neerslag en daarmee de relatieve vochtigheid of droogte in de tropische regenwouden van centraal Afrika gedurende de laatste 20.000 jaar sterk heeft gevarieerd.

 

Door de veranderingen van de tropische vochtigheid te koppelen aan veranderingen in de oppervlakte temperaturen van het water in de Zuid Atlantische oceaan, ontdekten de onderzoekers de oorzaak. Dit bleken veranderingen in de grootschalige circulatie van de Atlantische Oceaan te zijn, die resulteren in sterk contrasterende zeewatertemperaturen tussen het tropische en de subtropische gedeelten van de Zuid Atlantische oceaan. Dit scherpe contrast zorgt voor grote luchtdrukverschillen boven deze oceaangedeelten en voorkomt daarmee de toevoer van vochtige lucht vanuit de zee naar het land, waardoor de regen uitblijft. Dit proces blijkt een veel grotere invloed te hebben op klimaatsveranderingen in de tropen dan het tot nu toe gedacht. Men ging er tot dan toe vanuit dat de relatieve vochtigheid meer bepaald werd door verschuivingen in de zones van moessonregens.

 

Nieuwe methode bepaalt vroegere vochtigheid

Om de relatieve vochtigheid in tropische regenwouden te bepalen, moesten de onderzoekers nieuwe technieken toepassen. Zij analyseerden de hoeveelheid deuterium, een natuurlijke variant van waterstof met een twee keer zo grote massa, in plantenresten via apparatuur die recentelijk kon worden verkregen door subsidie van NWO. De hoeveelheid zwaar waterstof in planten is direct afhankelijk van de hoeveelheid zwaar waterstof die via regen in de grond terechtkomt en door de planten wordt opgenomen. Deze hoeveelheid wordt bepaald door de hoeveelheid regen die er op de grond valt en wat daarvan verdampt, ofwel de relatieve luchtvochtigheid. Door het meten van zware waterstof in fossiele plantenresten kregen de onderzoekers een idee over de vochtigheid in vroegere tropische regenwouden.

 

Nadere informatie bij:

 

Dr. Stefan Schouten (Koninklijk NIOZ)

Tel: +31 (0)222 369 565, e-mail: schouten@nioz.nl

 

 

Flag-NL

7 oktober

Hoeveelheid schelpdieren in de Waddenzee hangt af van het voedselaanbod in het voorjaar…

 

Vogels en vissers varen wel bij een rijke populatie schelpdieren in de Waddenzee. Het ene jaar leven er echter veel meer schelpdieren op het wad dan in het andere. Het nonnetje (Macoma balthica) is zo’n schelpdier. Promovendus Oscar Bos van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel zocht een verklaring voor de grote variatie in de jaarlijkse hoeveelheden nonnetjes (jaarklassen) op het Wad.

 

Het voedselaanbod in de allereerste weken van hun bestaan in het vroege voorjaar is al bepalend, ontdekte Bos, die  7 oktober promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Promotor is Prof. Dr Wim J. Wolff van de RUG; NIOZ onderzoekers Dr Jaap van der Meer en Dr Katja Philippart zijn de co-promotoren.

 

Meer informatie