Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2007 - Juni


 
Overzicht 2012
Overzicht 2011
Overzicht 2010
Overzicht 2009
Overzicht 2008
Overzicht 2007
  December
  November
  Oktober
  September
  Juni
  Mei
  April
  Maart
  Februari
  Januari
Overzicht 2006
Overzicht 2005
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

 Mei – 2007 – September     Archief     NIOZ in de pers

 

 

Juni 2007

 

28 juni

Dr. Ir. Herman Ridderinkhof adjunct directeur NIOZ

 

 

Per 1 juli is Dr. Ir. Herman Ridderinkhof benoemd tot adjunct directeur van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel. Hiermee is de directie weer compleet.

Het NIOZ maakt deel uit van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

 

Ridderinkhof (Zwartsluis, 1959) studeerde voor civiel ingenieur aan de Technische Universiteit Delft en is sinds 1985 in dienst van het NIOZ. Hij promoveerde in 1990 op het proefschrift ‘Reststromen en water-enging in de Waddenzee’ aan de Universiteit Utrecht.

Sinds 1997 is hij hoofd van de afdeling Fysische Oceanografie.

 

Ridderinkhof is nog steeds nauw betrokken bij het fysische onderzoek in de Waddenzee, dat tegenwoordig voornamelijk vanaf de beide TESO veerboten tussen Den Helder en Texel wordt uitgevoerd. Maar ook is hij zeer actief betrokken bij het internationale onderzoek naar grote oceaanstromingen. In dat kader leidt hij onderzoek naar de zeestromen rond de zuidpunt van Afrika, die de wateren van de Indische Oceaan en de Atlantische Oceaan met elkaar verbinden.

 

Meer informatie:

 

 

26 juni

Ook diepzeeplankton beweegt op ’t ritme van de maan…

 

Onderzoekers van het NIOZ deden onlangs opmerkelijke waarnemingen in Atlantische Oceaan bij de Canarische eilanden: Ook op grote diepte en in het volkomen donker gaat het dierlijk plankton er heel regelmatig heen en weer op het ritme van de maan. Dit artikel wordt gepubliceerd in Geophysical Research Letters.

 

De onderzoekers zetten vanaf het NIOZ onderzoeksschip “Pelagia” een diepzee verankering uit in het Canary Basin van de Atlantische Oceaan. Hieraan werden allerlei oceanografische meetinstrumenten opgehangen zoals een Acoustic Doppler Current Profiler (ADCP). De instrumenten verrichtten gedurende1,5 jaar allerlei metingen. Onderzoeksleider Dr. Hans van Haren: “ Het was voor ons een grote verrassing dat er tussen 800 en 1400 m een heel regelmatig patroon van vertikale bewegingen werd gemeten met een sterk periodiek karakter van eenmaal per dag, eenmaal per seizoen en, meest opmerkelijk, eenmaal per maansperiode van 29 dagen. De verticale bewegingen waren het sterkst bij volle maan”. Deze waarnemingen vertonen sterke overeenkomst met vergelijkbare waarnemingen dichtbij het zee-oppervlak. Daarvan is aangetoond dat het dierlijk zooplankton betreft dat ’s nachts naar het zee-oppervlak migreert om algen te eten die daar groeien onder invloed van zonlicht. Dit fenomeen is ook het sterkst bij volle maan en is al eeuwen bekend. Eenzelfde soort beweging op een diepte ver beneden de zone waar ook nog maar enig zon- of maanlicht kan doordringen in de oceaan, is echter nog nooit beschreven. Aangezien geochemische processen en interne golfbewegingen konden worden uitgesloten als oorzaken voor het waargenomen fenomeen, moet het wel dierlijk plankton geweest zijn dat ‘s nachts naar boven komt. Hierbij dringt de vraag zich op of het zooplankton maanziek is. Het lijkt erop dat dergelijke organismen zeer precieze biochemische klokken hebben die, eenmaal gezet tijdens een eerdere levensfase nabij het zeeoppervlak, langdurig een vast ritme van vertikale migratie aansturen.

Dit onderzoek werd verricht binnen het projekt ‘Long-term Ocean Climate Observations’, en werd mede gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

 

Referentie:

Van Haren, H. 2007. Monthly periodicity in acoustic reflections and vertical motions in the deep ocean, Geophys. Res Lett., 34, L12603, doi:10.1029/2007GL029947.

 

Meer informatie:

  • Dr. Hans van Haren, hansvh@nioz.nl , (+31)222-369 45
  • Dr. Jan Boon (communicatie &PR), jan.boon@nioz.nl, (+31)222 369 466

 

 

5 juni

KNDV Zoölogieprijs 2007 voor Dr. Jan van Gils…

 

 

Dr. Jan van Gils is de winnaar van de Nederlandse Zoölogieprijs 2007 van de Koninklijke Nederlandse Dierkundige Vereniging (KNDV). Van Gils verrichtte onderzoek aan de fysiologische en gedragsaanpassingen van trekvogels in de Waddenzee bij het NWO instituut NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel en bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in Nieuwersluis. Het juryrapport stelt: “ Het werk van dr. Jan van Gils is biologisch onderzoek ‘pur sang’ vastgelegd in een nu al indrukwekkende publicatielijst, waar een aanstekelijk enthousiasme vanaf spettert”. Jan van Gils ontvangt de prijs tijdens het speciaal voor deze gelegenheid georganiseerde Symposium “In de footsteps of Jan Verwey: How flexible phenotypes reflect ambient ecological conditions”.

Dit symposium vindt plaats op 29 juni bij het NIOZ op Texel, waar Dr. Jan Verwey van 1931 tot 1965 directeur was en waar Jan van Gils nu weer werkt. (www.nioz.nl/kndv)

 

Kanoetstrandlopers (Calidris canutus) vliegen jaarlijks heen en weer tussen de toendra rond de Noordpoolgebied (zomer) en onder andere de Banc d’Arguin in Mauritanië (winter). Zij kunnen deze enorme vlucht niet in één keer maken, maar hebben een tussenstop in getijdengebieden zoals de Waddenzee nodig om onderweg brandstof bij te tanken in de vorm van bodemdieren uit de tijdens laagwater drooggevallen wadplaten. Tijdens het vliegen is het voor de vogels gunstig om zo licht mogelijk te zijn. Aangezien ze tijdens de lange vlucht niet eten, wordt het gewicht van de maag (en andere verteringsorganen) sterk verkleind om onnodige ballast tijdens de vlucht te voorkomen. Bij aankomst in de Waddenzee geeft dit echter een groot probleem, want deze vogels slikken hun harde prooien geheel door en kraken en vermalen deze met de spieren in hun maagwand. Een net in de Waddenzee aangekomen vogel heeft dus honger, kan nog niet goed eten, maar moet toch de spiermassa van zijn of haar maag eerst sterk verhogen om uit deze impasse te raken; een schijnbaar onmogelijke opgaaf. Toch lukt dit de meeste vogels uiteindelijk, waarbij ze wel door een diep dal moeten gaan om de noodzakelijke fysiologische aanpassingen te bewerkstelligen. Met behulp van ultrasone-geluidstechnieken kon Van Gils de conditie van de spiermaag in individuele vogels in deze overgangsfase bepalen. Vogels met een nog niet zo heel goed ontwikkelde maagspieren kiezen relatief zachte en dus makkelijk te verteren prooien uit; vooral garnaal-achtige organismen. Nadeel hiervan is dat deze echter in veel lagere dichtheden voorkomen dan de veel hardere schelpdieren zoals het nonnetje (Macoma balthica) en de kokkel (Cerastoderma edule). Hierdoor moeten de vogels met een relatief kleine spiermaag langer voedsel zoeken op het wad; deze maken daarbij dagen tot wel 17 uur. Vogels met een goed ontwikkelde spiermaag kunnen echter de algemener voorkomende schelpdieren wel aan en zijn daardoor veel sneller klaar met eten. Over verschillende jaren heen blijken kanoeten hun maagspierconditie nauwkeurig af te kunnen stemmen op de op dat moment heersende voedselkwaliteit (vlees/schelp-ratio) van hun prooidieren. Het bleek echter dat in jaren met een slechte voedselkwaliteit er proportioneel meer kanoeten stierven dan in goede jaren. Dit bewees Van Gils aan de hand van analyse van de terugmeldkans van individueel gekleurringde kanoeten in de Waddenzee. Het bleek dat vooral de mechanische schelpdiervisserij de oorzaak van deze verslechterde voedselkwaliteit was.

 

 

Ook kleine zwanen (Cygnus columbianus bewickii) moeten flexibele ingewanden hebben. Deze planteneters behoren tot de grootste lange-afstandtrekkers en verstoken in de 3500 kilometer tussen hun broedgebied in Noord-Rusland en West-Europa veel energie. Ze komen hier aan met 'korte darmen' en kunnen dan alleen gemakkelijk verteerbaar eten aan, zoals waterplantenknolletjes of resten suikerbiet op akkers. Tijdens de winter blijken de darmen bijna in lengte te verdubbelen, zodat ook vezelrijk gras kan worden verteerd. Toch kunnen gezonde zwanen, en vogels in het algemeen, etende zoogdieren niet bijhouden. Vogels nemen namelijk kleinere happen, maar volgens Van Gils en collega's van het NIOO compenseren ze dat weer door meer uren per dag te eten. Bij een NIOO-onderzoek aan zwanen met GPS-halsbanden - zodat ze goed te volgen waren - ontdekte het team van Van Gils, dat lichte vormen van vogelgriep roet in het eten gooien. Zieke zwanen aten minder snel en konden geen energie steken in langere darmen. Hierdoor liepen ze grote achterstand op bij de voorjaarstrek.

 

Al met al blijkt een vogellichaam dus geen vast gegeven maar een flexibel af te stellen 'machine', die de ecologie van de vogel weerspiegelt.

 

Meer informatie: