Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2009 - Mei


 
Overzicht 2012
Overzicht 2011
Overzicht 2010
Overzicht 2009
  December
  November
  Oktober
  September
  Augustus
  Juli
  Juni
  Mei
  April
  Maart
  Februari
  Januari
Overzicht 2008
Overzicht 2007
Overzicht 2006
Overzicht 2005
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

Arrow-left April – 2009 – Juni Arrow    Archief Arrow    

 

Mei 2009

 

nl-lgflag

27 mei

Dalende draagkracht Waddenzee voor steltlopers…

 

JvdK486108redKnot

Kanoet

[Foto: foto Jan van de Kam]

 

De aantallen vogels in de Waddenzee worden bepaald door het voedselaanbod. Schelpdieren fungeren hierbij als belangrijkste voedselbron. Door de ecologische effecten van mechanische overbevissing op kokkels tussen 1996 en 2005 in dit beschermde natuurgebied te interpreteren als experiment, kon worden aangetoond dat een afname in de hoeveelheid schelpdieren ook heeft geleid tot dalende aantallen kanoetstrandlopers. Hun overlevingskans werd lager en daarom trokken de vogels weg of stierven. Dit concluderen onderzoekers van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek, de Rijksuniversiteit Groningen en SOVON Vogelonderzoek Nederland. Het artikel met deze onderzoeksresultaten verschijnt deze week in het vooraanstaande vaktijdschrift Journal of Animal Ecology, uitgegeven door de British Ecological Society.

 

De onderzoekers baseren hun bevindingen op (1) de resultaten van een jarenlang bodembemonsteringsprogramma op grond waarvan de omvang van geschikt foerageergebied voor kanoeten kan worden uitgerekend, (2) tellingen van kanoetstrandlopers wanneer ze in groepen samen komen tijdens hoogwater, en (3) de overleving van geringde kanoeten. Kanoeten (Calidris canutus islandica) zijn trekvogels die in de winterse Waddenzee afhankelijk zijn van in de modder verborgen schelpdieren waarvan de schelp na inslikken in hun grote spiermaag wordt gekraakt waardoor het zachte vlees beschikbaar komt als voedsel.

 

Tussen 1996 en 2005 nam het oppervlak wadplaten met voldoende schelpdieren af met 55 procent. Parallel aan de afname van geschikt foerageergebied namen de kanoeten-aantallen af met 42 procent. De aantallen kanoeten per hectare in nog wel geschikte foerageergebieden bleef echter constant met 10 kanoeten per hectare. Deze constante bezetting betekent dat kanoeten de capaciteit van de Waddenzee voortdurend ten volle benut hebben over het gehele tijdvak.

 

In de loop van deze 10 jaar daalde de lokale jaarlijkse terugkeer van kanoeten naar de Wadden van 89 naar 82%. Een deel van de niet teruggekeerde vogels bleek te zijn gestorven en een ander deel verkastte naar alternatieve overwinteringsgebieden in Engeland en Frankrijk. De Nederlandse Waddenzee, hoewel wettelijk beschermd door onder meer de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen, heeft dus door de tot 2005 toegestane grootschalige mechanische kokkelvisserij aan belang ingeboet voor een eveneens wettelijk beschermde trekvogel. Dit voorbeeld toont aan dat de effecten van menselijke ingrepen in dit bestemde natuurgebied doorlopend gemeten en geëvalueerd moeten worden om niet achteraf voor voldongen negatieve feiten te worden geplaatst.

 

Kokkelaars

Mechanische kokkelvissersschepen in Waddenzee

[Foto: Martijn de Jonge]

 

Meer informatie:

- Prof. Dr. Theunis Piersma, T: 0222 369 485.

- Drs. Casper Kraan, T: 0222 369 592.

- Dr. Jan Boon (NIOZ Communicatie & PR); T: 0222 369 466, M: 06 2096 3097.

 

Bibliografie artikel:

Kraan, C., van Gils, J. A., Spaans, B., Dekinga, A., Bijleveld, A. I., Van Roomen, M., Kleefstra, R. & Piersma. Landscape-scale experiment demonstrates that Wadden Sea intertidal flats are used to capacity by molluscivore migrant shorebirds. Dit artikel verschijnt 28 mei in het Journal of Animal Ecology, uitgegeven door de Britisch Ecological Society

 

 

nl-lgflag

26 mei

Vogels met ‘GPS-rugzakje’ tot in kleinste detail gevolgd…

 

UvA-onderzoekers hebben een ‘GPS-rugzakje’ ontwikkeld waarmee vogels tot op het kleinste detail gevolgd kunnen worden. Het is voor het eerst dat een dergelijk systeem met zo’n hoog detailniveau de gehele trekweg en dagelijkse activiteiten van vogels laat zien. Het onderzoek is uitgevoerd door Willem Bouten en Judy Shamoun-Baranes van het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED) van de Universiteit van Amsterdam (UvA), Edwin Baaij van het Technologie Centrum van de UvA in samenwerking met Kees Camphuysen van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek van NWO.

 

Het UvA-trackingsysteem biedt ongekende mogelijkheden om het gedrag van dieren te besturen en daarbij waardevolle fundamentele wetenschappelijke kennis op te doen, die duidelijke praktische toepassingen heeft. Zo wordt de kennis over vliegbewegingen van vogels nu al gebruikt voor het vergroten van de veiligheid van militaire luchtvaart door vogelaanvaringen te voorkomen. Daarnaast valt te denken aan toepassingen m.b.t. commerciële luchtvaart, bescherming van bedreigde soorten, ecologisch onderzoek, natuurbeheer, onderzoek naar door vogels overgebrachte ziektes zoals het H5N1-vogelgriepvirus en het analyseren van de risico’s voor vogels bij het aanleggen van windmolenparken in zee.

 

Ontwikkeling GPS-systeem

De UvA-onderzoekers ontwikkelden zogeheten GPS-loggers bestaande uit een piepklein GPS-systeem gecombineerd met een opslagmedium en een zender/ontvangertje. Dit wordt gevoed door een klein zonnepaneel. Bij elkaar weegt het systeem slechts 14 gram waardoor het zonder al te veel hinder op de rug van een vogel gebonden kan worden. Daardoor kan steeds nauwkeurig hun positie en vleugelslagfrequenties, de omgevingstemperatuur en de luchtdruk vastgelegd worden, tijdens hun bewegingen over zowel korte als lange afstanden. Het meetprogramma van de GPS-logger kan via een draadloze verbinding worden aangepast en de gegevens kunnen worden uitgelezen, zonder dat de vogel daarvoor gevangen hoeft te worden.

 

Loggerbird in flight MACN-LR_final

MAKT24May2009-LR_final

 

Kleine mantelmeeuwen

Voor het onderzoek zijn wilde Kleine Mantelmeeuwen op Texel voorzien van rugzakjes met GPS-loggers. De vogels vertrokken in de zomer van 2008 en in april 2009 keerden ze in Nederland terug, met hun high-tech rugzakjes vol informatie over hun trekgedrag. Kleine Mantelmeeuwen zijn zeevogels die het voorjaar en de zomer in Nederland doorbrengen maar overwinteren in Zuid-Europa. Hoewel al eerder onderzoek gedaan is naar het trekgedrag van deze soort, was het tot nu toe niet haalbaar om vogelbewegingen met zo veel detail te registreren dat inzicht verkregen kon worden in hun gedrag, bijvoorbeeld bij het zoeken naar voedsel.

 

In detail volgen van een compleet seizoen

Bij de broedkolonie laten de GPS-loggers om de seconde zien waar en wanneer de vogels vissersboten volgen, voedsel zoeken, of zich simpelweg op de zeestroming laten meevoeren. Dit is een detailniveau dat tot nu toe onbereikbaar was. De GPS-loggers geven aan dat er grote verschillen zijn in de manier waarop individuele vogels naar voedsel zoeken en dat de vogels uren en soms dagen op zee doorbrengen, weg van hun broedkolonie. Tijdens de trek en in de winter hebben ze verschillende pleisterplaatsen. Het dak van de Renaultfabriek in Douai bleek een populaire overnachtingplaats om van daaruit voedsel te zoeken in omliggende akkers. Dit is opmerkelijk voor vogels die vanuit hun broedkolonie vooral op zee hun eten zoeken. In Spanje waren rijstvelden en stortplaatsen favoriet, terwijl ze alleen op de terugweg naar Nederland gingen vissen in de Golf van Biskaje.

 

Google Earth trip

De door 1 mantelmeeuw afgelegde trekroute'

 

Meer informatie:

- Prof. dr. ir. Willem Bouten, IBED-UvA, T: 06- 2922 7586.

- Drs. Kees Camphuysen, NIOZ, T: 0222 369 488.

- Dr. Jan Boon (NIOZ Communicatie & PR); T: 0222 369 466, M: 06 2096 3097.

 

 

nl-lgflag

19 mei

Opening nieuwe Ballastwater Test Site bij het NIOZ op 20 mei (N.B.: pers is hierbij van harte welkom).

 

Vanaf begin van dit jaar neemt het NIOZ deel aan een Europees interregionaal Noordzee project, North Sea Ballast Water Opportunity (NSBWO), waarin wetenschap, beleid, industrie en milieuorganisaties samenwerken voor een innovatief en samenhangend beleid voor ballast water van zeeschepen. In de nabije toekomst moeten zeeschepen hun ballastwater behandelen zodat het vergaand vrij van organismen is wanneer het weer wordt geloosd. De installaties hiervoor dienen eerst een typegoedkeuring te krijgen voordat ze op de markt mogen worden gebracht, vergelijkbaar met een typegoedkeuring voor een nieuw automodel. Het NIOZ is één van de drie Europese en één van de vijf wereldwijd erkende test-sites voor dit doel. Op woensdag 20 mei zal projectleider Dr. Marcel Veldhuis de nieuwe ballastwater test-site in de NIOZ haven openen.

 

Ballastwater wordt ingenomen door schepen na het lossen van hun lading, om stabiliteit en diepgang van het schip te waarborgen. In een volgende haven, soms aan de andere kant van de wereld, wordt het ballastwater geloosd, om weer nieuwe lading te kunnen innemen. De levende have, vooral kleine algen, bacteriën, larven en planktondieren, die in het ballast water meeliften naar andere zeeën, kunnen daar soms grote schade aanrichten. Ziektes als cholera werden zo vanuit India naar Peru gebracht; een Amerikaanse ribkwal liet de Zwarte Zeevisserij instorten doordat de kwal alle voedsel van de vissen voor hun neus wegkaapte. Deze ribkwal, Mnemiopsis leidyi, wordt momenteel ook in de Waddenzee volop gesignaleerd! Ook kennen we de wolhandkrab (China) en de Amerikaanse zwaardschede die hierheen kwamen en zich enorm konden uitbreiden.

 

Internationaal Verdrag

Om de toenemende bedreiging van transport van gebiedsvreemde organismen te keren heeft de Internationale Maritieme Organisatie (IMO, het VN agentschap voor de scheepvaart) in 2004 het Ballastwaterverdrag aangenomen waarin tussen 2009 en 2016 behandeling van ballastwater voor alle schepen wordt verplicht. Behandeling van ballastwater betekent dat zo goed als alle heel kleine organismen (1/100e tot 1/10e millimeter) uit het ballastwater worden verwijderd of gedood. De massa’s ballastwater zijn groot; een tanker die nog net door het Panamakanaal kan (PanMax) heeft 100.000 ton aan boord. Het bouwen van een dergelijk behandelingssysteem is een uitdaging, maar het biologisch testen of het systeem ook doet wat wordt vereist door het Verdrag is dat misschien nog wel meer. Het NIOZ heeft haar grote fundamenteel wetenschappelijke expertise ingezet om een verantwoorde manier van testen van ballastwatersystemen te ontwikkelen en verbeteringen te onderzoeken.

 

Start nieuw Europees Project

De officiële goedkeuring van een getest ballastwatersysteem wordt verleend door een nationale overheid. Omdat het eerste systeem dat bij het NIOZ volledig werd getest een Duits fabrikaat was, ontwikkelde het NIOZ samen met de Duitse overheid de eerste testmethode. Er volgden andere systemen en samenwerking met overheden van andere landen, waarbij steeds duidelijker werd dat internationale samenwerking belangrijk was om de grote uitdagingen van het ballastwater testen het hoofd te bieden. Zo moeten bijvoorbeeld havenautoriteiten in de toekomst ook kunnen beschikken over testapparatuur waarmee snel kan worden vastgesteld of de geïnstalleerde installaties op schepen ook goed blijven functioneren. De plannen om dat en andere zaken verder vorm te geven kunnen nu worden aangevat in het Noordzee brede door de EU gesubsidieerde samenwerkingsproject NSBWO. Hierin werken overheden van alle Noordzeelanden, onderzoekers, industrieën, havens, scheepvaartorganisaties en milieuorganisaties samen om voor de hele Noordzee een innovatief en coherent beleid te ontwikkelen. Vanwege de grote mate van kennis in het Noordzeegebied, kan dit project een voorbeeld worden om ook in andere regio's de problemen van ballastwater effectief aan te pakken.

 

De opening van de nieuwe test site op woensdag 20 mei begint om 13:00 met een introductielezing in het auditorium van het NIOZ door projectleider Dr. Marcel Veldhuis (Landsdiep 4, t Horntje, Texel), waarna tussen 14:30 en 16:30 de test-site op de NIOZ haven kan worden bezocht. Het NIOZ ligt op de zuidoost punt van Texel en is vanaf de TESO veerhaven in 5 minuten lopend te bereiken. Zie ook www.nioz.nl/visit

 

Meer informatie:

- Dr. Cato ten Hallers-Tjabbes, T: 0222 369 574

- Dr. Jan Boon (Communicatie & PR); T: 0222 369 466, M: 06 2096 3097.

-  Website van het project North Sea Ballast Water Opportunity:

http://www.NorthSeaBallast.eu

 

 

nl-lgflag

15 mei

Professor Theunis Piersma gekozen als lid KNAW…

 

Vanwege zijn grote verdiensten als onderzoeker is NIOZ wetenschapper en hoogleraar dierecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen professor Theunis Piersma gekozen als nieuw lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW).

Theunis telescoop

Prof. Theunis Piersma observeert vogels op 't wad

 

De in totaal ruim tweehonderd gewone leden van de Akademie zijn allen vooraanstaande wetenschapsbeoefenaren, werkzaam op alle terreinen van het wetenschappelijk onderzoek. De KNAW adviseert de regering over ontwikkelingen in de wetenschap, bevordert de nationale en internationale samenwerking op wetenschappelijk gebied en is actief bij de kwaliteitsbeoordeling van wetenschappelijk onderzoek.

 

Prof. Theunis Piersma geniet internationale faam op het gebied van de energiehuishouding van trekvogels die de Waddenzee gebruiken als tussenstop om weer aan te sterken tijdens hun halfjaarlijkse vluchten tussen de overwinteringsgebieden in de tropen of subtropen en de broedgebieden in het hoge noorden. Hierbij ligt het zwaartepunt van het onderzoek op de steltlopersoorten kanoetstrandloper en rosse grutto in de Nederlandse Waddenzee en het overwinteringsgebied op de Banc d’Arguin aan de kust van Mauretanië. Ook de ecologie van de schelpdieren die als stapelvoedsel voor deze vogelsoorten dienen, krijgt hierbij de volle aandacht. In de Waddenzee zijn dit vooral het nonnetje en de kokkel.

 

Professor Piersma spant zich al vele jaren in voor het herstel van de Waddenzee naar een zo natuurlijk mogelijke staat. Zijn onderzoek speelde een hoofdrol bij het definitief verbieden van de mechanische kokkelvisserij met grote schepen in de Nederlandse Waddenzee en ook de intensiteit van de mosselvisserij volgt hij met een kritische blik. In 2004 won hij voor zijn natuurbeschermingsinzet de prijs voor natuurbehoud van het Prins Bernhard Cultuurfonds en de ‘Luc Hoffmann Medal for Wetland Science and Conservation’. Deze prijs werd aan hem uitgereikt door de natuurbeschermings-organisatie 'Wetlands International'.

 

Naast Piersma is ook NIOZ biogeochemicus prof. Jaap Sinninghe Damsté KNAW lid. De emeritus hoogleraren prof. Jan de Leeuw en NIOZ gastonderzoeker/ astronoom prof. Kees de Jager zijn beiden rustend -maar zeker niet inactief- academielid.

 

Meer informatie:

- Prof. dr. Theunis Piersma, T: 06-18910352 of 0515-540548

- Dr. Jan Boon (Communicatie & PR); T: 0222 369 466, M: 06 2096 3097.

 

Een overzicht van alle KNAW-leden is te vinden op http://www.knaw.nl/cfdata/leden/leden.cfm

 

 

nl-lgflag

6 mei

'Mare incognitum' - Oratie van NIOZ onderzoeker prof. dr. Leo R.M. Maas

 

'Mare incognitum'

Oratie van NIOZ onderzoeker prof. dr. Leo R.M. Maas uitgesproken ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar ‘Golfdynamica van de Oceaan’ bij het Instituut voor Marien en Atmosferisch Onderzoek van de Universiteit Utrecht (IMAU).

 

Leo Maas-LR

De oratie zal worden gehouden op 11 mei 2009 om 16:15 in het Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht.

 

Het lijkt alsof de oceaan weliswaar zeer groot is, maar toch weinig geheimen meer voor ons kent. Immers, de ligging, waterdiepte en belangrijkste stromingen zijn van oudsher in kaart gebracht en moderne satelliet waarnemingstechnieken vertellen ons in detail hoe bijvoorbeeld temperatuur en waterhoogte over de aardbol verdeeld zijn. Veel minder kennis hebben we echter van de diepzee. Weliswaar worden er wereldwijd veel metingen verricht met verankerde en drijvende apparatuur, maar dit zijn plaatselijke, zogenaamde contactmetingen, die een veel minder gedetailleerd ruimtelijk beeld bieden dan satellietwaarnemingen. Wat hier ontbreekt, vullen we met onze “fantasie” aan. “Fantasie” staat hier zowel letterlijk voor het interpolerend invullen van ontbrekende informatie, als ook figuurlijk voor het aanvullen van metingen met de resultaten van wiskundige modellen. Deze modellen vertegenwoordigen ons beste inzicht in de wijze waarop de zee zich behoort te gedragen onder invloed van zon, wind en getijkrachten. Maar wij, modellenmakers, hebben een zekere voorkeur; we willen in ieder geval de grootschalige processen goed beschrijven. Omdat de computers waar deze modellen op uitgerekend worden een beperkte rekenkracht hebben, kiezen we ervoor om de kleinschalige processen maar te negeren.

 

Maar snijden we onszelf daarmee niet in de vingers? Dit soort vragen laat zich beter beantwoorden wanneer we ons tot deelgebieden van de oceaan beperken en niet de hele wereldzee in rekening hoeven te brengen. Het antwoord is verontrustend: bepaalde kleinschalige processen kunnen wel degelijk op een gestructureerde manier invloed op de grootschalige oceaanprocessen uitoefenen. Dit gebeurt door lokale turbulente verticale menging van watermassa’s en de daarin opgeloste gassen en voedingsstoffen op bepaalde ‘hot spots’ in de oceanen. Deze menging is van groot belang voor de ventilatie van de diepzee en daarmee ook voor al het leven daarin. Het goede nieuws is dat we in principe op theoretische gronden kunnen voorspellen op wat voor soort plekken zulke hot spots gelegen moeten zijn, het slechte nieuws dat voor de complexe 'echte zee' deze locaties nog volstrekt onbekend zijn: een uitdaging voor toekomstige generaties oceanografen!

 

Meer informatie:

- Prof. dr. Leo Maas, leo.maas@nioz.nl; 0222-369 419.

- Dr. Jan Boon (Communicatie & PR); 0222 369 466, M: 06 2096 3097.