Home - General - Latest News - Archief - Overzicht 2008 - Oktober


 
Overzicht 2010
Overzicht 2009
Overzicht 2008
  December
  November
  Oktober
  September
  Augustus
  Mei
  April
  Maart
  Januari
Overzicht 2007
Overzicht 2006
Overzicht 2005
Overzicht 2004
Overzicht 2003

Sitemap - Search 

 

 September – 2008 – November     Archief     

 

Oktober 2008

 

19 oktober

Waarom zijn er in de tropen meer soorten schelpdieren dan in de Waddenzee?

 

De grotere aantallen soorten schelpdieren in tropische intergetijdegebieden suggereren dat soorten daar zodanig zijn gespecialiseerd dat ze beter naast elkaar kunnen leven dan in gematigde kustgebieden zoals de Waddenzee. Dit geldt vooral voor de temperatuur, waarvan de bandbreedte in de tropen over het jaar veel kleiner is. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Tanya Compton. Verschillen in dieetkeuze en de voorkeur voor een bepaald type zeebodem speelden juist geen rol. Compton verdedigt haar proefschrift op 24 oktober.

 

Sinds de ontdekking van de enorme soortenrijkdom in de nieuwe wereld heeft dit de wetenschap altijd voor een heel basaal raadsel gesteld. Hoog tijd dus om te proberen de onderliggende mechanismen hiervoor te doorgronden.

Schelpdieren worden over het algemeen als een goed modelorganisme hiervoor gezien, omdat zij zeer wijdverspreid in kustgebieden voorkomen en daar een centrale rol vervullen. Compton onderzocht verschillende factoren als mogelijke oorzaak voor het verschil tussen de tropen en gematigde gebieden. Als modelgebieden koos zij Roebuck Bay in West-Australië en de Waddenzee.

 

Temperatuur

De bandbreedte van temperaturen waarin soorten leven, is aanzienlijk smaller bij tropische soorten. Schelpdieren uit Roebuck Bay leven dicht onder de maximum temperatuur waarbij ze nog goed kunnen functioneren. In de tropen is het eigenlijk altijd zomer. Soorten uit de Waddenzee moeten meer energie steken in hun fysiologische flexibiliteit om zich aan de grote verschillen tussen zomer en winter aan te kunnen passen. Daardoor blijft er minder ruimte over voor een hogere mate van specialisatie en verdere optimalisatie t.a.v. hun leefomgeving. Hierdoor hebben tropische tweekleppigen dus als het ware energie over om te kunnen investeren in specialisaties die hun een voorsprong geven in de concurrentiestrijd met andere schelpdiersoorten.

 

Voeding

Het idee bij aanvang van deze studie was, dat in de tropen veel schelpdiersoorten naast elkaar kunnen leven, omdat ze zich gespecialiseerd hebben op verschillende voedselbronnen uit de beschikbare 'cocktail'. Ieder schelpdier leeft in principe van plantaardig plankton dat zij vangen door het zeewater of het oppervlak van de zeebodem te filtreren. Belangrijke organen hierbij zijn de kieuwen en de palpen. Een selectie van verschillende maaltijden uit het zeewater vereist een verschillende optimale vorm van deze voedselinvangorganen. Verrassenderwijs was er echter juist een grotere overeenkomst in de vorm van kieuwen en palpen in Roebuck Bay dan in de Waddenzee.

 

Veldwerk in Roebuck Bay

Sediment

Schelpdieren leven in zachte zeebodems. Door verschillen in korrelgrootte van het sediment kunnen deze harder en meer zandig (grove korrel) of zachter en meer modderig zijn. Door verschillen in stroomsterkte zijn wadplaten vlakbij stroomgeulen vaak zandig, terwijl de hoge delen veel slikkiger zijn doordat de stroomsnelheden hier lager zijn. Van het schelpdier het nonnetje (Macoma balthica) is bekend, dat jonge exemplaren een voorkeur hebben voor slikkig sediment, maar volwassen exemplaren juist in zandig sediment voorkomen. Hierop gebaseerd verwachtte Compton dat verschillende soorten (volwassen) schelpen binnen één gebied ook verschillende sedimentsoorten zouden kiezen om zo - met minder voedselconcurrentie - naast elkaar voor te kunnen komen. De vergelijking van de verdeling van verschillende soorten volwassen schelpdieren over negen tropische en gematigde getijgebieden liet echter zien dat deze soorten juist allemaal kozen voor hetzelfde type sediment.

 

Het onderzoek werd uitgevoerd als Ubbo Emmius beursaal bij de afdeling mariene biologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Het werk werd gedaan bij het NIOZ Koninklijk Nederlands instituut voor Zeeonderzoek van NWO (Texel) en het Department of Environment and Conservation in Broome (Australië), Broome Bird Observatory, TAFE Aquaculture Centre and WA Fisheries, Broome. Financiële ondersteuning was afkomstig van het Ubbo Emmius Fonds and het Dept. Environment and Conservation in Perth, Australië.

 

Meer informatie:

- Promotor Prof. Dr. Wim J. Wolff, Rijksuniversiteit Groningen, T: 06 136 88 657

- Promotor Prof. Dr. Theunis Piersma, T: NIOZ 0222-369485 of T: Rijksuniversiteit Groningen 050-363 2021, of

- Dr. Jan Boon, Communicatie & PR, T: 0222 369 466.

 

Tanya J. Compton. Bivalve traits and distributions to explore species diversity at tropical and temperate tidal flats. ISBN: 978-90-367-3523-0

 

Promotie:vrijdag 24 oktober om 16:15 uur, Rijksuniversiteit Groningen.

 

 

16 oktober

Koraalriffen groeien ook in de diepe, koude oceaan…

 

Stel je voor dat je in de Atlantische Oceaan met een duikboot afdaalt naar achthonderd meter diepte, waar het altijd ijskoud en pikdonker is. De toppen van het heuvellandschap hier zijn bedekt met grote koraalriffen.

NIOZ-onderzoeker Furu Mienis deed onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van deze onbekende koudwaterbroertjes van de bekende tropische koralen. Mienis promoveert op 23 oktober aan de Vrije Universiteit. Lees verder…

 

Link: Newsrelease on ScienceDaily.com  (5 Nov.)

 

Koudwaterkoralen met Crinoiden (Foto: IFREMER)

 

 Koudwaterkoraal Lophelia in detail

 

 

Meer informatie:

- Drs. Furu Mienis, T: 0222 369 393

- Dr. Jan Boon, Communicatie & PR, T: 0222 369 466.

 

Promotie Furu Mienis, VU Amsterdam

 

Proefschrift Environmental Constraints on Cold-water Coral Growth and Carbonate Mound Formation (~ 13 MB)   

 

 

15 oktober

Schelpdieren in de Waddenzee nemen bewust risico's…

 

In de loop van het beleg van Stalingrad namen Duitse soldaten die waren ingesloten door Russische troepen steeds grotere risico's. Naarmate ze sterker verhongerden, waagden ze zich steeds meer op straat, waardoor de meesten echter een gemakkelijke prooi werden voor de Russische soldaten. Sommige Duitsers slaagden er echter wel in om eten te bemachtigen, waardoor ze overleefden.

 

 

Het nonnetje…

 

Dat ook 'hersenloze' schelpdieren in de Waddenzee leven volgens dit principe, is nu aangetoond door een groep onderzoekers van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek van NWO op Texel. De resultaten van dit onderzoek worden woensdag gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift 'Biology Letters'.

 

In 11 achtereenvolgende nazomers werd op meer dan 2000 plekken in de westelijke Waddenzee de diepte bepaald waarop het schelpdier het nonnetje (Macoma balthica) leefde. Hoe dieper de nonnetjes in de wadbodem ingegraven zaten, hoe meer hun populatie een jaar later bleek te zijn gegroeid. In zomers waarin nonnetjes dicht onder het oppervlak van een wadplaat verbleven, werden er veel exemplaren door vogels opgegeten en kwamen er nauwelijks jonge nonnetjes bij. Hierdoor nam de populatie in het jaar daarna af.

Met hun ingraafgedrag geven nonnetjes dus aan hoe ze over hun eigen (reproductieve) toekomst denken. Dit gedrag is gemakkelijk theoretisch te verklaren. Het nonnetje eet met behulp van een siphon; dat is een soort stofzuigerslang die uit de schelp steekt en boven het maaiveld van de wadplaat uitkomt. Met die stofzuigerslang graast het nonnetje de algenmat van het plaatoppervlak af of hij filtert algen uit het water vlak boven de wadplaat. Hoe oppervlakkiger het nonnetje zit, hoe groter de omtrek van de cirkel van de stofzuigerslang om plantaardig plankton als voedsel te kunnen bemachtigen. Maar helaas voor het nonnetje ook hoe groter de kans om als prooi door een vogel te worden bemachtigd. Om 'op safe' te spelen, zou het scheldiertje dus juist zo diep mogelijk moeten wegkruipen. Maar dan wordt de cirkel van de stofzuigerslang kleiner en krijgt het dier dus minder te eten. Het is voor het nonnetje dus altijd kiezen of delen.

Hoe logisch op zichzelf ook, zulk verfijnd adaptief gedrag aan de heersende voedselomstandigheden is nog maar zelden aangetoond, en al helemaal niet bij 'hersenloze' ongewervelde dieren. De verbanden impliceren dat nonnetjes in staat zijn om, op grond van hun eigen conditie en algehele gezondheid, te voorspellen hoe groot de kans is dat ze er volgend jaar nog zijn. Als het slecht gaat, dan loont het om veel risico's te nemen door dicht bij het wadoppervlak veel te eten waardoor conditie en gezondheid ondanks de slechte heersende omstandigheiden toch verbeterd kunnen worden. Als nonnen echter 'lekker in hun vel zitten', kunnen ze beter 'op safe' spelen, en diep ingegraven het voorjaar afwachten, wanneer ze 'samen klaarkomend' veel nakomelingen produceren.

 

Kanoet eet nonnetje

 

Dit onderzoek werd extern gefinancierd vanuit de NWO-PIONIER subsidie aan Prof. Dr Theunis Piersma.

 

Meer informatie:

- Dr. Jan van Gils, T: 0222-369 383 / 06-1317 4234, of

- Prof. Dr. Theunis Piersma, T: NIOZ 0222-369485 of T: Rijksuniversiteit Groningen 050-363 2021, of

- Dr. Jan Boon, Communicatie & PR, T: 0222 369 466.

 

van Gils, J.A., C. Kraan, A. Dekinga, A. Koolhaas, J. Drent, P. de Goeij & T. Piersma. 2008. Reversed optimality and predictive ecology: burrowing depth forecasts population change in a bivalve. Biology Letters (vanaf woensdag 22 oktober 2008 online op http://dx.doi.org/10.1098/rsbl.2008.0452).

 

Zie ook:

Piersma, T. 2006. Waarom nonnetjes samen klaarkomen en andere wonderen van het wad. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

 

 

8 oktober

Helder zicht op troebel water is een 'must' voor onze kustontwikkeling…

 

'Ingrepen in de Nederlandse kustwateren zullen moeten worden vergezeld door een goed functionerend meetnet; wiskundige voorspelmodellen zijn hiervoor beslist onvoldoende'. Dit betoogt adjunct-directeur prof. dr. ir. Herman Ridderinkhof van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek in zijn oratie 'Zicht op een troebele zee' ter gelegenheid van de aanvaarding van de leerstoel  'Fysica van sedimenttransport in kustwateren' op 14 oktober aan de Universiteit Utrecht.

 

 

Slib speelt een belangrijke rol in kustwateren: het bepaalt o.a. de diepte tot waar zonlicht kan doordringen en daarmee de hoeveelheid algen die in zee kunnen groeien. Deze autotrofe micro-organismen vormen de basis van het mariene voedselweb; zonder hen uiteindelijk geen mossels, vis, vogels en zeezoogdieren. Voor een goed begrip van het functioneren van mariene ecosystemen is daarom een goed inzicht in het gedrag van slib in kustwateren van groot belang.

Deze kennis over slib en slibtransport is echter nu nog slechts zeer matig, zeker in kwantitatieve zin. Keer op keer moet worden vastgesteld dat onze kennis ontoereikend is om goede voorspellingen te kunnen doen over het effect van allerlei maatregelen in de kustzone van de Noordzee, de Waddenzee en de Zeeuwse Delta, vooral omdat het slibtransport onvoldoende bekend is. Een belangrijke reden is dat er onvoldoende metingen in de zee worden uitgevoerd. Zo bleek bijvoorbeeld uit recent NIOZ-onderzoek in het zeegat 'Marsdiep' tussen Den Helder en Texel, dat het gemeten netto slibtransport met 7 miljoen ton/jaar een orde van grootte hoger ligt dan wat de modellen aangeven.

Zeker nu de Deltacommissie voorstelt om met grootschalige zandsuppleties onze kust tegen erosie onder invloed van een stijgende zeespiegel te gaan beschermen, is het van groot belang om deze uitvoeringsmaatregelen te begeleiden met een uitgebreid onderzoeksprogramma dat gebaseerd is op metingen in Noordzee en Waddenzee. Neveneffecten, zoals een vertroebeling van ons kustwater en het gedrag van de bodem van de Waddenzee, kunnen daardoor veel beter voorspeld en beheerst worden dan momenteel het geval is; een belangrijk (meet)gegeven bij de enorme sommen geld die voor de beschermende maatregelen moeten worden uitgetrokken.

 

De oratie wordt gehouden op 14 oktober om 16.15 uur in het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht, Domplein 29.

 

Meer informatie:

- Prof. dr. ir. Herman Ridderinkhof, adjunct-directeur NIOZ, T: 0222 369 423
- Peter van der Wilt, Persvoorlichter Universiteit Utrecht, T: 030 253 3705

- Dr. Jan Boon, Communicatie & PR, T: 0222 369 466.